terug
ACHTERGROND - MARE 32, 5 juni 2003

Postuum verschenen naslagwerk over dagelijks gebruik van planten

Waarvan wordt een peniskoker gemaakt?

Enig idee hoeveel planten we per dag gebruiken? Een voorzichtige ontsluiering van de ondoorzichtige voedselindustrie aan de hand van het postuum verschenen boek Planten voor dagelijks gebruik van de Leidse bioloog Kees Kalkman, en een beschuit met muisjes.

Hester van Santen

Hoeveel soorten planten bevat een beschuit met muisjes? We pakken de broodversierder sinds 1860 erbij. ‘Ingrediënten: suiker, anijszaad, tarwezetmeel, carnaubawas, karmijn.‘ Bij de carnaubawas staakt het voorstellingsvermogen; waar komen de grondstoffen voor dit ontbijt eigenlijk vandaan?
Voor zulke vragen is er nu een boek met maar liefst 352 fraaie pagina‘s: Planten voor dagelijks gebruik. Het naslagwerk verscheen drie weken geleden postuum van de hand van hoogleraar Kees Kalkman. Van 1972 tot 1991 was hij directeur van het Leidse Rijksherbarium, nu opgegaan in het Nationaal Herbarium Nederland (NHN).
Na zijn afscheid begon hij aan een boek voor een breed publiek over zijn specialisme, de ‘economische botanie‘. Kalkman overleed echter in 1998, toen zijn tekst bijna af was. NHN-medewerkers Marijke Nauta en Ruud van der Meijden hebben ‘Planten voor dagelijks gebruik‘ vijf jaar later voltooid.
Het is een lijvig werk geworden, uitgegeven door de biologische KNNV Uitgeverij die altijd zorgt voor kleurrijke en zorgvuldig vormgegeven gidsen. Speciale attractie zijn de tientallen wetenschappelijke tekeningen uit de negentiende-eeuwse klassieker Medizinal-Pflanzen van F.E.Köhler, die van hop en suikerriet elegante schoonheden maakte. Kopen voor op de salontafel is dus de moeite waard; is de inhoud dat ook?
Daarvoor terug naar de carnaubawas. Volgens pagina 293 wordt die gewonnen uit de Braziliaanse waaierpalm Copernicia prunifera en is het spul vooral populair als meubelwas. En wat betreft de andere ingrediënten van de muisjes: de anijs komt uit het oostelijke deel van het Middellandse-Zeegebied, suikerbieten en tarwe worden in eigen land gekweekt. Over de granen wijdt het boek het meest uit: tarwe bevat bijvoorbeeld 12 gram eiwit per ons, het bestaat al meer dan achtduizend jaar en er zijn maar liefst twintigduizend verschillende rassen. Van karmijn rept Planten voor dagelijks gebruik nauwelijks, want dat is een dierlijke kleurstof, gemaakt van gemalen schildluizen.
Als de muisjes al vier plantensoorten bevatten, hoe staat het dan verder met de planten voor dagelijks gebruik? Net als de rol beschuit vermeldt het pondspak halvarine slechts ‘plantaardige oliën en vetten‘, wat een laagwaardig mengsel van misschien wel soja-, raap- of zonnebloemolie doet vermoeden, want dat zijn volgens het plantenboek veel gekweekte oliehoudende planten. Dan biedt de halvarine nog een ondoorzichtige lijst E-nummers, die in Kalkmans werk helaas niet worden opgehelderd.
Met wat gezoek op internet en grof schatten staat de soortenteller voor beschuit met muisjes nu op tien. Na een hele dag eten, kleren dragen en op houten stoelen zitten moet dat aantal oplopen tot boven de honderd. Voor wie van die soorten het fijne wil weten, is dit een boek voor in de boekenkast ñ met 33 houtsoorten zit het bouwmateriaal van uw kast er vast bij. Voor nieuwsgierige eters blijft de ingrediëntenlijst op de verpakking wellicht de beperkende factor.
Behalve voor consumenten is het boek ook interessant voor botanici, en dat is een nadeel. Want welke leek wil weten dat de meekrap, bekend van de rode kleurstof, enkelvoudige bladeren heeft die in zestallige kransen staan? En dat terwijl de kleurstof uit de wortels wordt gewonnen. Ook de vermelding bij de carnaubawas, dat die bestaat uit een ‘ester van cerotinezuur en myricylalcohol (met respectievelijk 26 en 30 C-atomen, dus echt lange ketens)‘ is waarschijnlijk weinig interessant voor iemand die geen idee heeft wat een ester is. Het voorwoord zegt het ook: er moest nogal worden geschrapt in de overmaat aan morfologische en taxonomische details die Kalkman in zijn enthousiasme vermeldde. Bovendien is hij in zijn teksten lang van stof, wat zijn werk eerder een naslagwerk dan een leesboek maakt.
Maar jammer is vooral dat Kalkman zich bij voorkeur richtte op eetbare planten en op de soorten die gebruikt worden voor hout, textiel en andere bouwstoffen. De geneeskrachtige en psychoactieve planten nemen niet veel meer dan veertig pagina‘s in beslag, en dat terwijl half Nederland zweert bij eucalyptus, echinacea en sint-janskruid ñvan die drie wordt alleen de eerste genoemd, bij de geurstoffen. Een uitleg over de mogelijke werking of gevaren van plantaardige middelen zou welkom zijn, maar die vermeldt het boek alleen summier: een keuze die hij als botanicus bewust maakte.
Tenslotte nog een pleidooi om Planten voor dagelijks gebruik toch op de salontafel neer te leggen: er staan veel trivia in. Blz 126: hoe traditioneel zijn spruitjes? Blz 295: waarom is Hollandse kaas geel? Blz 243: Waarvan worden peniskokers gemaakt?
En dan moet er nog maar eens een boek komen die de andere gebieden van de ondoorzichtige voedingsindustrie ontsluit. Te beginnen met: Dieren voor dagelijks gebruik?

C. Kalkman (redactie en bewerking M.M. Nauta en R. van der Meijden): Planten voor dagelijks gebruik, Botanische achtergronden en toepassingen. KNNV Uitgeverij 2003. 352 blz., €45

Antwoorden laatste alinea omhoog