ACHTERGROND - MARE 29, 8 mei 2003

De Leidse jaren van Huib Drion

‘Ik hou me niet bezig met de Dood

Curriculum Vitae



1917
Geboren in gezin van zes. Vader is kamerlid
1938
Gaat rechten studeren en werkt in antiquariaat. Doet daar liefde op voor de klassieken. Wordt Leidse voorzitter van het Comité van Waakzaamheid, dat waarschuwt tegen het nationaal-socialisme
4 oktober 1940
Het verzetsblad De Geus verschijnt. Oplage: 80 exemplaren. Samen met broer Jan zal hij dit blad de hele oorlog lang voltypen, stencilen en verspreiden. De Geus doorprikt Duitse propaganda, bericht over bezette universiteiten en publiceert zwarte lijsten van collaborerende universiteitsmedewerkers
november 1940
Extra editie van De Geus. Aanleiding is de rede van Cleveringa tegen het ontslag van de joodse professor Meijers
13 Juli 1945
De dertigste en laatste editie van het verzetsblad verschijnt in oplage van 5000 exemplaren
1954
Promoveert op ‘Limitations of Liabilities in international Air Law’
1958
Wordt hoogleraar Burgerlijk Recht in Leiden.
1966
Publiceert Het conservatie hart, een essaybundel voornamelijk over de Franse literatuur
1969 tot 1984
Lid van de Hoge Raad en later vice-president
1986
Publiceert ‘Denken zonder diploma’, een essaybundel
19 oktober 1991
Het artikel ‘Het zelfgewilde einde van oude mensen’ wordt gepubliceerd in NRC Handelsblad. Drion pleit voor euthanasiemiddel voor alleenstaande mensen boven de 75 die levensmoe zijn. Pikant detail: Drion heeft het nooit over een pil gehad
april 2001
Na een interview van dezelfde krant, waarin toenmalig minister van Volksgezondheid Borst toegeeft voorstander te zijn van ‘de pil van Drion’, laait de discussie weer op
Nu
Leest en leeft graag
Toen Huib Drion studeerde was hij naar eigen zeggen een schuchtere spoorstudent. Maar wel één die zijn leven riskeerde door het drukken van een verzetsblad. Later werd hij hoogleraar, vooraanstaand lid van de Hoge Raad en genuanceerd denker wiens naam is verworden tot een kreet voor een zelfmoordpil. ‘Er bestond geen obscuurdere student dan ik.’

Thomas Blondeau

Met een beleefdheid die met recht vooroorlogs genoemd kan worden, ontvangt Huib Drion (86) de verslaggever. Drion woont alleen en dat is nooit anders geweest. Zijn bescheiden flat is volgestouwd met boeken. Veel negentiende-eeuwse literatuur - met name de door hem bewonderde Balzac - maar ook hedendaagse romans. Hij verontschuldigt zich uitgebreid voor zijn falende geheugen. Als hij een precieze datum niet kan achterhalen verdwijnt hij - zichtbaar geïrriteerd - naar zijn studeerkamer om de exacte coördinaten op te zoeken. Het lijkt eerder een principekwestie dan vergeetachtigheid. Wie lang leeft, heeft veel te onthouden.

Had u als literatuurliefhebber nooit talen willen studeren in plaats van rechten?
‘Ik was iemand die niet wist wat hij wou en dus maar rechten ging studeren. Als ik Frans of klassieke talen had gekozen, was ik zeker voor de klas geëindigd en dat wou ik niet. Niet dat ik het doceren niet leuk vond. Maar studenten zijn toch anders dan scholieren. Ik hield me er ook niet mee bezig of studenten naar mijn college kwamen. Had ik ze een heel jaar niet gezien en kwamen ze toch tentamen doen, dan kon ik mij daar niet aan storen. Het kon me geen donder schelen.

‘Aan mijn interesse in recht heb ik altijd veel genoegen gehad. Een typische privaat recht-man was ik. Mijn mooiste tijd, wat recht betreft, heb ik beleefd in de Hoge Raad. Heerlijk praten over de toepassing van de wet zonder dat je te maken hebt met ellebogenwerk of ambities die een goede discussie in de weg zitten.’

U woonde niet in Leiden en zat niet bij een studentenvereniging. Toch werd u voorzitter van de Leidse afdeling van het Comité van Waakzaamheid, een club die waarschuwde tegen het nationaal-socialisme. Uit engagement?
‘Vooral uit toeval en de toenmalige sekseverhoudingen. Dat comité was een landelijke organisatie en mijn vader zat in het bestuur van afdeling Den Haag. Op een bepaald moment was er een speciale studentenconferentie om ook comités op studentenniveau te ontwikkelen. Uit Amsterdam kwamen er honderden studenten op af. Uit Leiden kwamen er welgeteld drie mensen, Leidenaren zijn niet zo politiek georiënteerd. Twee juffrouwen en ikzelf. Ik was de enige man en zonder discussie werd besloten dat ik de Leidse voorzitter zou worden. Heel typisch voor die tijd. U moet weten dat er in die tijd geen obscuurdere student bestond dan ik. Ik had absoluut geen contact met de medestudenten.’

In 1940 begon u met het uitgeven van De Geus, een verzetsblad. Dat bleef u de hele oorlogstijd doen. Ondertussen werden studenten geëxecuteerd voor het drukken van pamfletten. Hebt u ooit gevreesd voor uw leven?
‘Daar dacht ik niet over na. Als je begon te twijfelen, kon je er maar beter mee ophouden. Ik weet wel dat mijn moeder bang was dat mijn broer en mij iets zouden overkomen. Maar nooit heeft ze ons gevraagd ermee op te houden.

‘We waren wel heel voorzichtig. Iedere keer als er werd aangebeld, moesten we zorgen dat we de type- en de stencilmachine onder de plankenvloer verstopten. Je kon nooit weten of het de moffen waren. In ‘43 kregen we een Duits document in handen waarop stond dat de gebroeders De Jong werden gezocht. Dat was onze schuilnaam. ‘De Jong’ lijkt gesproken heel erg op ‘Drion’. Het voordeel daarvan was dat het nooit precies duidelijk was of we met onze echte naam dan wel met onze schuilnaam werden aangesproken.
‘Sommige jongens en meisjes, vooral in het begin van de oorlog, waren er trots op dat ze iets in het verzet deden en vertelden dat tegen iedereen. Tja, dan waren de gevolgen niet te overzien. Maar soms werd ondanks alle voorzorgmaatregelen toch iemand gevat. De door mij zeer bewonderde Han Gelder, een jongeman van nauwelijks twintig, die erin slaagde het verzet aan alle Nederlandse universiteiten te bundelen, is zo in een hinderlaag omgekomen. Hij zorgde ervoor dat De Geus werd gedrukt en verspreid over de verschillende universiteiten. Bij een illegale drukker is hij opgewacht. Hij droeg altijd een pistool bij zich omdat hij bang was eventuele folteringen niet aan te kunnen. Hij heeft eerst een Duitser doodgeschoten en toen zichzelf.’

U schreef ooit een essay dat universitair onderwijs zich devalueert als het te doelmatig wordt, te zeer gericht op een beroep. Heeft de universiteit zich niet steeds meer in die richting ontwikkeld?
‘Met dat BaMa-systeem hou ik mij niet meer bezig. Ik heb de universiteit allang achter mij gelaten. Wat ik wel onthouden heb, is dat studenten steeds praktischer onderwijs wilden. En dat kan ik ze niet kwalijk nemen. Het merendeel van de rechtenstudenten is ook niet geïnteresseerd in academische bezigheden. Die willen een goede baan en waarom ook niet?

‘Ik heb meegemaakt dat studenten begonnen met de docenten te evalueren. Heel beleefd en bescheiden waren de mensen die daar mee begonnen. Ik was ook niet zo’n goede docent, had voor ieder college de zenuwen. Op een bepaald moment kwam dat bestuurtje naar me toe. Ze raakten niet zo goed uit hun woorden en toen zei ik het maar: “De studenten vinden mijn onderwijs niet al te goed, nietwaar?” Een blok viel van hun schouders. Ze hoefden het niet in mijn gezicht te zeggen dat de studenten moeite hadden met mijn colleges. Heel beleefde mensen waren dat.’

In 1991 ontketende u een controverse door te pleiten voor een euthanasiemiddel voor oude mensen die levensmoe zijn. Hoe kijkt u tegen uw geesteskind aan?
‘Ik heb begrepen dat levensmoeheid nog geen criterium is voor het plegen van euthanasie. Men moet nog steeds ongeneeslijk ziek zijn. Tja, ik hou me er niet zoveel mee meer bezig. Heeft u dat stukje wel eens gezien? Het is niet meer dan een paar alinea’s die ik had opgeschreven toen mijn schoonzus ooit eens hardop nadacht over zo’n middel. Ik had geen flauw idee dat het zo’n ophef zou veroorzaken toen ik het naar de NRC opstuurde.

‘De dichter Adriaan Morriën, die een goede vriend van me was, zei ooit: “Huib, jij haalt nog de Van Dale. Drion, zie ‘pil van’.” Het zou me verbazen. Ach, het stoort me niet dat dat het enige is wat mensen van me zullen onthouden.
‘Maar mijn intentie is nog steeds onveranderd. Het is toch afschuwelijk om je vader of je partner opgehangen te vinden? Dat kan anders. Of mensen die in een bejaardentehuis alleen maar wat zitten te mummelen en wiens leven volledig door anderen wordt gerund. Walgelijk lijkt me dat. Een pil kan dan uitkomst bieden.’

Hoe wilt u worden herinnerd?
‘Dat heb ik me nog nooit afgevraagd. Heeft u die vraag al eens aan zichzelf gesteld? Ik hou me niet zo bezig met de dood. Niet tijdens de oorlog en nu ook niet. Het zou fijn zijn als sommigen mij als een goede vriend dan wel als een goede jurist zouden willen herinneren. Maar wie wetteksten schrijft, moet niet de illusie hebben dat hij bezig is met de eeuwigheid. Dat juridisch compendium van mij, wordt dat nog wel eens gebruikt?’