ACHTERGROND - MARE 24, 20 maart 2003
Studeren en topsport: een loodzware mix
‘Ik ga altijd tot het uiterste’
Maatwerk voor dubbeltalenten
Studenten die aan topsport doen moet je koesteren, vindt studentendecaan Marcel Melchers. ‘Het zijn dubbeltalenten, academici die iets extra’s hebben. En leuke, actieve, opgeruimde types bovendien.’
Aan de Universiteit Leiden staan vijf tot tien studenten geregistreerd met een A, B, of C-status van het Nederlands Olympisch Comité (NOC*NSF), de officiële topsportcategorieën. Ongeveer vijftien mensen zitten daar net onder met een zogenoemde S-status.
Met hulp van Melchers en een studieadviseur, kunnen zij hun opleiding zo inrichten dat die te combineren is met de sport. Ze hebben bijvoorbeeld recht op extra herkansingen en een langere inlevertermijn voor werkstukken. ‘Per geval bekijken we wat nodig is; we leveren maatwerk', aldus de studentendecaan.
A, B en C-sporters krijgen bovendien een jaar extra college- en boekengeld. Melchers ijvert er momenteel bij het College van Bestuur voor om dat in de toekomst ook voor studenten in de S-categorie te laten gelden.
Studentensportverenigingen hebben soms nog eigen regelingen. Zo konden Njord en Asopos De Vliet met geld van een donateur in oktober een toproeifonds oprichten. Daarvan worden extra materialen gekocht, trainingskampen gehouden en seminars georganiseerd voor top- en subtoproeiers. Asopos De Vliet biedt sinds afgelopen zomer bovendien studiebegeleiding aan, om de combinatie met topsport makkelijker te maken.
Hoewel ze soms wat langer dan anderen bezig zijn, maken topsporters hun studie meestal af, is Melchers ervaring. ‘Ik denk dat het slagingspercentage in deze groep zelfs hoger ligt dan bij andere studenten.’
|
Ze vliegen voor toernooien de halve wereld over, maar willen ook een normaal studentenleven leiden. Vier studerende topsporters vertellen over hun ambities, moeilijke keuzes en volle agenda’s. ‘Soms krijg ik te horen: kun je dat hockey niet een keer afzeggen?’
‘Voor tentamens vlieg ik een dagje terug’
Vijfdejaars rechtenstudent Ghislaine Démétriadis (23) spreekt nauwelijks Grieks, maar zit wel in het nationaal dameshockeyteam van dat land. Om de anderhalve maand pakt ze haar koffers om te trainen in Athene.
Het begon met een oproep in het Nederlands hockeymagazine drie jaar geleden: of getalenteerde dames met een Grieks paspoort zich wilden melden bij de bond in dat land. Er waren plaatsen vrij in het nationale team. Ghislaine: ‘Ik ben voor een kwart Grieks en heb zo’n paspoort naast mijn Nederlandse, dus ik stuurde een fax. Tot mijn verbazing kreeg ik na een dag al een reactie. Twee weken later zat ik in Athene.’
Een buitenkans, vond de opgewekte studente. Want in Nederland speelt ze in de overgangsklasse - dus nog niet eens in de hoofdklasse - bij Alecto in Leiderdorp. Hoe dat kan? Daar is ze nuchter over: ‘In Griekenland is hockey minder ontwikkeld dan hier.’
Aan de geregelde trainingstripjes naar Athene is ze inmiddels gewend. De boeken voor fiscaal recht en bedrijfsrecht, ze volgt twee afstudeerrichtingen, gaan gewoon mee. Hoewel het niet altijd makkelijk is om ze die ene halve dag vrij ook daadwerkelijk te pakken. ‘Je zit in een hotel met zwembad, het is prachtig weer, dan moet ik mezelf echt dwingen om binnen te gaan zitten studeren.’
Toch doet ze dat, zegt ze. Ze is gedisciplineerd en leeft geordend en haar piekfijn opgeruimde kamer getuigt daarvan. ‘Ik schiet eerder in de stress van iets wat ik zoek en niet kan vinden, dan van al dat plannen. Het is soms heel veel wat ik moet leren, maar het lukt bijna altijd.’ Vanwege haar status als topsporter mag ze bovendien toetsen verzetten en eventueel een mondeling doen. Dat is echter nog nauwelijks voorgekomen. ‘Als ik tentamen heb vlieg ik soms een dagje terug.’
In Nederland traint de hockeyster drie keer in de week bij Alecto en speelt op zondag wedstrijden, daarnaast heeft ze een baantje als receptioniste in een hotel. Er blijven gemiddeld twee avonden in de week over voor andere dingen: vriendje, vrienden, familie en Minerva. ‘Tijd voor mezelf heb ik zelden. Maar daar kies ik voor. Als ik thuis ben klets ik liever even bij met een huisgenootje dan dat ik in mijn eentje op mijn kamer ga zitten.’
Begrip voor haar drukke programma is er vaak, maar niet altijd. ‘Waarom is dat hockey toch zo belangrijk, krijg ik wel eens te horen. Kun je het niet een keer afzeggen? Dan moet ik uitleggen dat dat écht niet kan en dat ik dat ook niet wil. Ik vind het veel te leuk om te doen.’
Zodra Ghislaine klaar is met haar scriptie, waarschijnlijk eind dit jaar, verhuist ze tijdelijk ze naar Griekenland om zich met haar team voor te bereiden op drie kwalificatiewedstrijden in maart 2004 voor de Olympische Spelen. En daarna, wellicht, de Spelen zelf. ‘Dat bereiken, daaraan meedoen, is mijn doel. Als ik terugkom ga ik beginnen met werken. Of dat nog te combineren is met hockey weet ik niet. Misschien is het dan wel mooi geweest, en wordt het tijd voor andere idealen.’
‘Ik ben een totale chaoot in plannen’
Schermer Rudolph Spanhoff (20) wil misschien teveel - een studie als natuurkunde combineren met topsport en óók nog een sociaal leven. ‘Van scoren alleen word ik niet gelukkig’, denkt hij soms. Maar ook: ‘Ik wil altijd winnen.’
Het leven van Rudolph Spanhoff denderde maar door in het academisch jaar 2001-2002. Weken achtereen had hij elk weekend een toernooi: hij vloog naar Frankrijk, naar Hongarije en Italië. Tussendoor bezocht hij colleges, ‘maar in mijn hoofd was ik bezig met die wedstrijden’. En hij scoorde: werd Nederlands jeugdkampioen en presteerde ook internationaal niet onverdienstelijk.
Geen wonder dat zijn studie erbij inschoot. In de zomervakantie knokte de derdejaars natuurkunde daarom achttien studiepunten bij elkaar, zodat hij weer op schema liep. En nu? ‘Het klinkt misschien overdreven, maar ik ben een beetje overwerkt.’
Rudolph was negen jaar toen hij begon met schermen; samen met een vriendje volgde hij een cursus op de basisschool. Hij raakte enthousiast en bleek talentvol. ‘Je moet je tegenstander fysiek verslaan, maar hem ook te slim af zijn. Je moet goed kunnen waarnemen, snel zijn en mentaal heel sterk. Niet denken: ik sta vijf punten achter, wat nu?’
De schermer wil altijd winnen, ‘ook als ik een potje zaalvoetbal met vrienden’. Zo’n mentaliteit is onontbeerlijk voor een topsporter, meent hij. Net als de bereidheid om tegenslagen te verwerken en veel tijd in de sport te steken. Hij traint minstens drie keer vier uur in de week, rond toernooien vaker.
Zijn ambitie? ‘Het standaardantwoord op die vraag is natuurlijk: Olympisch kampioen, of wereldkampioen. Maar in Nederland is dat lastig met deze sport. Het liefst zou ik een keer bij de eerste acht eindigen in een wereldbekerwedstrijd.’ Rond zijn 28e bereikt hij zijn top. ‘Dan heb je voldoende ervaring; je kunt je seizoen goed indelen en bent sterk.’
Hij is gedreven als het om schermen gaat, maar hij wil meer: op kamers, bij een vereniging. Het is er allemaal nog niet van gekomen, simpelweg omdat hem de tijd daarvoor ontbreekt. ‘En ik ben een totale chaoot in plannen.’ Ondertussen wordt zijn studie steeds zwaarder en hij wil niet teveel achterstand oplopen vanwege het bachelor/mastermodel, dat in september van start ging in het eerste jaar: ‘Veel van mijn huidige vakken worden dan niet meer gegeven, de stof is door elkaar gemixt. Als ik in dat model terechtkom, heb ik het gevoel dat ik opnieuw moet beginnen met mijn studie. Het is een grote wals waar ik vooruit probeer te rennen.’
Sinds kort is hij ‘senior’ in het schermen. Een goed moment om een pas op de plaats te maken, ‘want het is niet vanzelfsprekend dat ik mijn goede resultaten van vorig jaar kan herhalen.’
Hij gaat daarom voor vijf weken naar Brazillië, om na te denken en uit te rusten. Moet schermen misschien meer een hobby worden, ontspanning in plaats steeds die druk van het presteren? ‘Je hebt toch ook plezier nodig, een goed sociaal leven? Van scoren alleen word ik niet gelukkig.’
Maar: ‘Ik zou het verschrikkelijk vinden om straks te verliezen van mensen waar ik vroeger van won. Als ik iets doe, wil ik het goed doen.’
‘Van niksen word ik helemaal gek’
‘Een beetje’ is voor taekwondoka en tweedejaars rechten Maazdaak Zareei (21) nooit genoeg. Hij wil ‘eruit halen wat erin zit’. Uitblinken in zijn sport, een intensief studentenleven leiden en na zijn studie een goede baan in het bedrijfsleven.
De vechtsport taekwondo is er bij Maazdaak met de paplepel ingegoten: zijn vader is zijn trainer. ‘In Iran, waar ik ben geboren, coachte hij de absolute toppers’, vertelt de tweedejaars rechten die op zijn zesde naar Nederland verhuisde. ‘Op mijn negende en tiende moest ik nog naar de sportschool geschopt worden, dan wil je liever buitenspelen. Later werd het leuker: ik nam deel aan wedstrijden en won. Ik ben altijd blij geweest dat ik heb doorgezet.’
Zijn beste prestatie tot nu toe behaalde hij als junior: derde bij de Open Nederlandse Kampioenschappen en eerste bij de Open Deense, beide grote internationale toernooien. ‘Toen had ik moeten bloeien, maar ik scheurde in 1999 mijn kruisbanden en had daarna een drukke eindexamenperiode.’ Hij kon niet anders dan knarsetandend toezien hoe zijn leeftijdsgenoten hem voorbijstreefden naar de top, waar híj naartoe wilde.
Toch is Maazdaak doorgegaan. Dat zit in zijn karakter: ‘Ik geef nooit op.’ Zo werd hij zowel in 2002 en 2003 tweede bij de Nederlandse kampioenschappen.
‘Ik wil eruit halen wat erin zit’, zegt hij een aantal keer gedurende het gesprek. En dat geldt niet alleen voor zijn sport, want hij weet dat daar op termijn nauwelijks geld of eer mee te behalen valt. ‘Wat kun je uiteindelijk worden? Nationaal trainer misschien, maar dat is niet mijn doel in het leven. Ik wil verder: een baan in het bedrijfsleven, misschien naar het buitenland.’
Zijn studie houdt hij dus goed bij en hoewel zijn vader, voor wie taekwondo het allerbelangrijkste is, er niet blij mee was, besloot Maazdaak zich bovendien aan te sluiten bij Minerva. ‘Hij vroeg zich af: wat krijg je nou terug voor zo’n vereniging? Veel vrienden - heb ik hem proberen uit te leggen. En je doet nuttige, organisatorische ervaring op.’
Zijn eerste studiejaar woonde hij nog thuis in Den Haag, maar voor zijn gevoel miste hij teveel van het studentenleven. Dus toen hij werd gevraagd om aan Plantsoen 47-49 te komen wonen, twijfelde hij niet. Met enige trots in zijn stem: ‘Dit is een van de grootste en prominentste huizen in Leiden. Voor mij het mooiste. Daar wilde ik graag bij horen.’
Zijn vrienden en huisgenoten hebben respect voor wat hij doet en steunen hem, zegt hij. Ze snappen dat hij niet op skivakantie met zijn jaarclub Noorman kan omdat hij wedstrijden heeft, dat hij borrels mist en zich zelden te buiten gaat aan veel drank op de sociëteit. ‘De meeste andere jongens hebben weinig verantwoordelijkheden, ik moet ook verstandige dingen doen. Maar dat vind ik niet erg; ik zou helemaal gek worden van het niksen.’
In zijn sport deed hij wel, noodgedwongen, een stapje terug. Zijn oorspronkelijke gewichtsklasse, tot 62 kilo - ‘waarin ik bijna alles won’ - kon hij niet handhaven. ‘Ik woonde hier net en ik moest afvallen. Weet je wel hoe erg het is om af te vallen voor je sport? Je kunt dan niets anders meer. Je moet op dieet, geen alcohol, veel trainen, hardlopen in zweetpakken, naar de sauna. Toen dacht ik: bekijk het maar, ik ga een klasse hoger.’
’Geen tijd om te slapen’
Op haar jaar als prof in Spanje is ze het meest trots, maar ‘ambitieus’ zou geneeskundestudent en rolstoelbasketballer Evelyn van Leeuwen (30) zichzelf niet snel noemen. ‘Ik wil vooral genieten en dingen doen die ik leuk vind.’
Haar vriend Jeroen, zelf profwielrenner, staat te koken, terwijl Evelyn energiek door de kamer van hun Leidse woning rolt: ze pakt kopjes voor de thee, zet een muziekje op. ‘Ik ben eigenlijk heel moe. Gisteren kwam ik om half zeven ’s ochtends thuis van een Europacupwedstrijd in Wenen, om acht uur moest ik alweer co-schappen lopen.
Naast de club waar ze voor speelt, maakt Evelyn deel uit van het Nederlands damesteam. De eerst periode van haar huidige co-schap gynaecologie was daardoor ‘extreem druk’: ze trainde twee keer per week ’s avonds - na een dag werken in het ziekenhuis - in Papendal bij Arnhem, ter voorbereiding op het Europees Kampioenschap. In de weekenden waren er trainingskampen in Sittard en Amersfoort. En dan nog het EK zelf, in Hamburg -‘we werden tweede achter Duitsland, maar hadden eigenlijk moeten winnen’. Hoewel dat misschien nog het minst zwaar was. Jeroen: ‘Toen kwam je helemaal bij.’ Evelyn: ‘Ik had eindelijk tijd om te slapen.’
Dat haar vriend in zo’n hectische periode ‘zorgt dat er thuis een hapje eten op tafel staat en de was doet als ik terugkom en meteen weer aan de slag moet’, waardeert ze erg. Maar ze is tegelijk heel duidelijk: ze wil niet leunen op steun. ‘Ik draai zelf op voor mijn keuzes.’
Evelyn begon met rolstoelbasketbal in 1992, twee jaar nadat ze door een ongelukkige val tijdens het schaatsen een dwarslaesie opliep. Sinds 1995 zit ze in het nationaal damesteam wat, zo zegt ze bescheiden, ‘niet heel moeilijk is als aanleg hebt en sportief bent’: ‘Het is een heel specialistische sport omdat er nu eenmaal niet zoveel jonge mensen in een rolstoel zitten.’
Ze bezocht een indrukwekkende rij toernooien in verre buitenlanden. Geroutineerd somt ze op: ‘Atlanta 1996, Sydney 1998, Japan 2002...’ Maar het meest trots is ze op haar jaar als prof. Tijdens een Europacupwedstrijd in Lissabon werd ze gescout en gevraagd door een Spaanse club. ‘Volgens mij ben ik de eerste rolstoelbasketbalster van de wereld die dat kan zeggen.’
De eerste vier jaar van haar artsenstudie zaten erop en ze besloot op het aanbod in te gaan. Spaans leerde ze snel genoeg ter plekke. Ze genoot: ‘Van het weer, de Spanjaarden, het eten, de mentaliteit, het sporten.’ Jeroen: ‘En daar zaten mensen op de tribune.’ Evelyn: ‘In Spanje wordt rolstoelbasketbal meer gezien als ‘sport’ en niet als ‘handicap’. Hier komen alleen familie en vrienden naar een wedstrijd kijken.’
Toch werd haar contract niet verlengd. ‘Ik denk dat ik teveel eisen stelde: wilde meer gaan verdienen en bovendien de mogelijkheid hebben om iets aan mijn studie te doen.’
Hoewel haar co-schappen nu bijna zijn afgelopen, heeft ze nog een huisartsspecialisatie van drie jaar voor de boeg. Zo druk als de afgelopen jaren wil ze het dan niet meer hebben. Én ze moet langzamerhand aan kinderen gaan denken. ‘Het wordt een tijd van keuzes maken.’ Maar voor het zover is, volgt - misschien een laatste - hoogtepunt: Athene 2004, de Paralympics.