BRIEVEN - MARE 21, 20 februari 2003

Jezus/Caesar (3)

Kom, dacht Hans Ariëns, laat ik ook eens een stukje schrijven over Carotta. En zoals journalisten dat tegenwoordig doen, las hij niet zelf het boek, maar belde hij twee ‘experts’, de hooggeleerden De Jonge (theologie) en Versnel (oude geschiedenis). Dat gaat veel sneller. Ariëns legde hen de vraag voor: ‘Wat vindt U nu van het boek van Carotta?’ Geen van beiden blijkt het boek gelezen te hebben, maar dat geeft niet: een wetenschappelijk oordeel kunnen ze toch wel geven. Het boek deugt niet, weten ze. De Jonge: ‘Jezus heeft met honderd procent zekerheid bestaan. Dat bewijzen het evangelie van Marcus, de brieven van Paulus en Q (Quelle), de bron waaruit zowel Lucas als Mattheüs hebben geput.’
Deze redenering rammelt aan alle kanten. (1) Nog nooit heeft iemand Q gezien. Dat komt omdat Q niet meer is dan een hypothese om de overeenkomsten in Lucas en Mattheüs, die kennelijk niet teruggaan om Marcus, te verklaren. We weten dus niet eens zeker of Q wel heeft bestaan. Q kan dus nooit gelden als bewijs voor het bestaan van Jezus. (2) Maar Paulus en Marcus dan? Ook deze zijn als bewijsgrond kwestieus. Geen van beide heeft Jezus zelf gekend. Wat ze weten is van horen zeggen. Maar we weten uit eigen ervaring dat dergelijke verhalen vaak ver bezijden de waarheid zijn. Zijn Paulus en Marcus betrouwbare bronnen? Dat dient bewezen te worden. Dit vervolgens ‘aan te tonen’ door te verwijzen naar diezelfde auteurs is een petitio principii. In gewoon Nederlands: een basale redeneerfout. (3) Zijn er dan geen andere contemporaine ooggetuigenverslagen van het optreden van Jezus? Neen, geen enkele. Dat is juist zo bizar en grond voor velen om aan zijn historiciteit te twijfelen.
Overigens probeert Carotta geenszins aan te tonen dat Jezus niet bestaan heeft. Waar het hem om gaat is te laten zien dat in de oerteksten van het christendom, de evangeliën, bijzonder veel is verwerkt dat lijkt terug te gaan op de toen vigerende caesarcultus. Het christendom is in zijn ogen een gejudaïseerde, met elementen uit de Torah verweven, caesarverering.
Dan Versnel. Die maakt het ook bont. Hij heeft even wat gebladerd in het boek, maar komt al met gezouten kritiek. ‘Dat Galilea van Gallië komt, Kafarnaüm van Corfinium en Judea van Ionië, zoals Carotta beweert, is volstrekte onzin. Dat zijn allemaal prachtige Aramese en Israëlitische namen.’ Als Versnel wat langer in het boek had gebladerd en wat minder snel zijn mening klaar had gehad, zou hij hebben kunnen lezen dat dit ook geenszins beweerd wordt. Wat Carotta wel zegt, is dat je je kunt voorstellen dat een lezer van een vita Caesaris in het Palestina van de eerste eeuw van onze jaartelling, een nakomeling wellicht van een Romeinse Ceasar-veteraan en een inheemse vrouw, die allang niet meer goed Latijn spreekt en leest, de plaatsnamen in die vita verbastert tot de namen van plaatsen en streken die hij wel kent. Als Versnel op dezelfde wijze scripties en dissertaties beoordeelt als het boek van Carotta, heb ik medelijden met zijn studenten en promovendi.
Het zou best kunnen zijn - het is zelfs waarschijnlijk - dat Carotta’s these niet klopt, of maar zeer ten dele klopt. Maar of dat zo is, kan alleen worden uitgemaakt als experts als De Jonge en Versnel met steekhoudende kritiek komen. Dat doen ze niet. Sterker nog, ze weigeren er kennis van te nemen. Dat getuigt niet van een erg open geest. Cliteur bewijst ook in deze kwestie weer hierover wel in ruime mate te beschikken. En een open geest is toch wel het allerbelangrijkste wat een wetenschapper in huis dient te hebben!
Andreas Kinneging
rechtsfilosoof
Dit is een reactie op dit artikel

Jezus/ Caesar (4)

Paul Cliteur, wetenschappelijk filosoof te Leiden, verwijt op 13 februari Henk Versnel en Henk Jan de Jonge dat zij de Gansche Heilige Schrift van Francesco Carotta niet gelezen hebben en dus overijld het Nieuwe Evangelie van Jezus Caesar verwerpen. Cliteur noemt mij wijselijk niet als niet-lezer. Dat kan hij ook niet, want hij weet dat ik Carotta’s science fiction wel min of meer helemaal doorgewerkt heb. Zelf had Cliteur Was Jezus Caesar? maar half gelezen toen hij op 1 december in Buitenhof parmantig aan het Nederlandse volk verkondigde dat het christendom was ontmaskerd. Moet ik de e-mail waarin je dat toegeeft, publiceren, Paul Cliteur? De pot verwijt de ketel dat hij zwart is.
Overigens hebben Versnel en De Jonge volkomen gelijk. Even snuffelen aan Carotta’s drukwerk is voor een wetenschappelijk geschoold iemand genoeg om vast te stellen dat het geen kosjer boek is. Het bedrog begint al op het omslag. Daarop staat hoofd van de lijdende Jezus naast Caesar (zie Mare van 6 februari). Die Jezuskop heeft niets met de oudheid te maken. De herkomst wordt nergens verantwoord - en dat in een boek dat wetenschappelijk pretendeert te zijn. Vermoedelijk gaat het om een negentiende-eeuws romantisch kruisbeeld, van het type dat Carotta in zijn jonge jaren aan de muur van zijn Italiaanse seminarie zag hangen. In elk geval wordt de Lijdende Jezus pas in het Hersttij der Middeleeuwen afgesteld. Daarom is de vraagstelling van het boek groteske onzin: er was in de oudheid geen voorstelling van de lijdende Jezus. Er kon dus geen versmelting zijn van een cultus van de Lijdende Caesar - die overigens ook niet bestond. Het bizarre is dat Cliteur tegenover mij de juistheid van dit dodelijke tegenargument beaamt, maar niet de logische consequentie trekt dat er dus van het hele onderzoek niets kan deugen. Hij is ook na zijn bekentenis vrolijk doorgegaan het Nederlandse publiek wijs te maken dat het christendom gekraakt is.
Vervolgens kijken wij op de achterkant van het boek. Uit Duitsland, waar het boek al in 1999 verschenen is, heeft de uitgever één lovende bespreking weten te vinden, .... van een Berlijns boulevardblad.
Dan kijkt de aspirant-koper in het colofon en leest tot zijn verbazing dat het boek theologisch beoordeeld is door een inscriptiedeskundige. En voor het fiat voor zijn taalkunde - door Versnel terecht als ‘middeleeuws’ afgedaan - kon Carotta alleen een Graecus op Kreta vinden. En dat terwijl hij leeft in het land waar de Altphilologen blühen.
Niet kopen dus dit boek, dat een karikatuur van wetenschap is. En was het nu nog maar leuk. Maar de lectuur is een voortdurende foltering van het gezond verstand. Iedere bladzijde staat vol halve waarheden en hele leugens. Het lievelingswoord van Carotta is ‘verbluffend’. Honderden, nee duizenden ‘verbluffende’ toevalligheden, moeten bewijzen dat Jezus Caesar was. Caesar trekt over de Rubico en Jezus laat zich in de Jordaan dopen. Pilatus is een verbastering van Lepidus - de evangelisten waren allemaal dyslectisch, lijkt. Geen enkel argument klopt.
Cliteur poseert als wetenschapper door te verklaren dat hij niet alle argumenten even sterk vindt. Maar als je hem vraagt welke dan wel, staat hij met een mond vol tanden.
Dat een leek onder de indruk raakt van de apekool van ‘verbluffende’ overeenkomsten, is te vergoelijken. Maar dat een wetenschappelijk geschoold iemand als Cliteur in deze kwakzalverij tuint, is een doodzonde.
Iedere boodschap die ik Cliteur stuur, eindigt met: ‘Ik vraag maar één argumentje, beste Paul, één zakelijk bewijs dat we Carotta serieus moeten nemen.’ Het antwoord is altijd ontwijkend: Carotta is zo erudiet, Carotta is zo welgemanierd, ik moet niet zo onaardig zijn, een Leids filosoof laat zich niet voor de inquisitierechtbank dagen, we moeten niet zo vastzitten aan onze paradigma’s.
Ik daag je hierbij voor het forum van de wetenschap uit: geef ons nou eens één argument dat hout snijdt, Paul Cliteur.
Anton van Hooff
klassiek historicus Nijmegen
Dit is een reactie op de eerste brief in deze rubriek

Jezus/Caesar (5)

Van Paul Cliteur mag ik de opinie dat Marcus' verhaal over Jezus feitelijk over Caesar gaat pas afwijzen als ik het boek van Carotta heb gelezen. Maar een verstandig mens leest geen boeken waarin betoogd wordt dat de aarde plat is of de ark van Noach gevonden is op de Ararat. En in die categorie valt het geschrijf van Carotta.
Cliteur poseert graag als toonbeeld van redelijkheid. Maar in de hoop op een gemakkelijk succesje tegen de christelijke religie, heeft hij opeens alle rationaliteit en kritische zin verloren en zich publiekelijk geschaard achter een kwakzalver. Vervallen tot bijgeloof, verzuimt hij op mijn argument voor de historiciteit van Jezus in te gaan.
Over wetenschappelijk ethos gesproken: zou Cliteur alvorens zich met veel aplomb uit te laten over onderwerpen waarvan hij geen verstand heeft, zijn licht niet eens opsteken bij de vaklui aan deze universiteit? De historische Jezus is het onderwerp van een druk beoefende, verontwikkelde tak van verfijnde, kritische geschiedwetenschap. Ik geef er geregeld college over. Cliteur is hartelijk welkom.
H.J. de Jonge
hoogleraar Nieuwe Testament en vroegchristelijke letterkunde
Dit is een reactie op de eerste brief in deze rubriek

Jezus/Caesar (6)

Hoewel ik mij niet graag zou mengen in een discussie tussen hoogleraren, moet mij toch van het hart dat ik de ingezonden brief van prof. Cliteur in de Mare van 13 februari 2003 ronduit verbijsterend vind.
In het gewraakte artikel verklaart prof. de Jonge namelijk helemaal niet openlijk dat hij het boek ongelezen heeft verworpen. Dit is louter een gewiekst staaltje interpretatie van prof. Cliteur.
Bovendien haalt prof. Versnel, die wél toegeeft alleen wat in het prul te hebben gebladerd, een van de steunpilaren van Carotta's betoog met technische argumenten onderuit. Cliteur neemt hem dit kwalijk, onder aanroepen van Kuhn. Maar hoewel hij het boek zelf wél gelezen heeft, heeft hij geen ander weerwoord dan wat verontwaardigde hogeborstzetterij.
En als het boek in de Angelsaksische wereld niets ‘losmaakt’, behalve Homerisch gelach? Wat zal prof. Cliteur dan conluderen?
Coen van der Wolf
student geschiedenis
Dit is een reactie op de eerste brief in deze rubriek

Jezus/Caesar (7)

Paul Cliteur vindt dat je een boek helemaal gelezen moet hebben om er een mening over te mogen hebben. Ik ken het argument; ooit heb ik mij daarom door Freuds Vorlesungen heen geworsteld, en ja, recentelijk heb ik héél Carotta gelezen. Maar durft u, meneer Cliteur, in alle ernst, vol te houden dat u het boek helemaal hebt gelezen? Hebt u het werkelijk tot en met bladzijde 348 (de 40 pagina's noten schenk ik u) volgehouden?
Wat denkt u als u leest dat er een betekenisvolle etymologische relatie bestaat tussen Rome en Jerusalem (HieROsoluMA), of tussen Gautama Siddharta (=Boeddha) en Octavi(an)us Sebastos (=Augustus), die beiden ook nog eens zo graag buiten sliepen? Wat denkt u als leest dat Jezus na zijn arrestatie niets meer zei omdat ‘Gij zegt het’ eigenlijk betekent dat er een ander sprak? En als u leest dat het gebruik van het woord 'alea' door Caesar logisch is omdat hij zich bij de Adriatische 'zee' bevond en '(h)als' 'zout' betekent, terwijl Jezus de vissers, 'aleeis' - wat eigenlijk 'zeelieden' zou zijn - riep aan het 'Meer' van Genesareth? Hoeveel gekte hebt U eigenlijk nodig om deze als zodanig te herkennen, meneer Cliteur?
Ook ik heb geen verstand van klassieke geschiedenis en theologie, maar een beetje kennis van de klassieke logica lijkt me ruim voldoende. (Behoort logica niet tot de filosofie, uw vakgebied, professor?). De zelfdragende constructies, valse analogieën, interne tegenspraken en andere ongerijmdheden schreeuwen je van elke bladzijde tegemoet, los van de talrijke (kunst)historische, linguïstisch, theologische en andere onjuistheden.
U klaagt over gebrek aan feitenkennis bij uw en Carotta's criticasters. Welnu, ik heb het hele boek gelezen en ben gaarne bereid tot een nadere inhoudelijke discussie. Durft u dat aan, of blijft u liever zwelgen in uw verongelijktheid?
Bernard Vermet
alumnus
Dit is een reactie op de eerste brief in deze rubriek

Ethiek

De Christelijke Studentenfractie Leiden (CSL) wil dat alle faculteiten tenminste 5 procent van het curriculum wijden aan ethische bezinning (Mare 6 februari 2003). Ik ben het geheel eens met de CSL dat ethiek een onderdeel van elke studie moet zijn, maar vind het onzinnig tenminste 5 procent van het curriculum daarvoor uit te trekken. Alsof we niets anders te bestuderen hebben!
De CSL-opvatting dat het onderwerp van belang is 'omdat de Leidse universiteit veel onderzoek doet op het gebied van biotechnologie', is te beperkt. De suggestie dat wetenschap niet autonoom is, maar gestoeld op externe (christelijke?) waarden lijkt me daarentegen wat ruim. De opleiding Talen en Culturen van Zuidoost-Azië en Oceanië (TCZOAO) laat zien hoe ethiek op een andere manier dan de CSL voor ogen staat aan de orde kan worden gesteld.
Bij het (keuze)vak Wetenschapsfilosofie voor Aziëstudies worden twee colleges aan ethiek besteed. Hierbij worden de studenten vertrouwd gemaakt met normen die voornamelijk ontleend zijn aan ethische codes uit de wetenschap zelf. Denk aan plichten jegens informanten, de gehele groep waar men onderzoek bij doet, collega onderzoekers, opdrachtgevers en de Wetenschappelijke Kennis.
De nadruk ligt niet op de normen, maar op het feit dat een ethisch dilemma pas ontstaat wanneer twee normen met elkaar in strijd zijn, of wanneer een norm in strijd is met een praktisch voordeel. Geen panklare antwoorden, maar zogenaamde situationele ethiek. Bovenal leren de studenten dat er ethische voetangels in hun eigen onderzoek verborgen zitten.
Dat deze aanpak voldoet blijkt uit vragen waarmee studenten later zelf komen tijdens het schrijven van hun doctoraalscriptie. Drie voorbeelden volstaan hier: mag ik mijn scriptie een swingende titel meegeven, als die titel kwetsend is voor de groep die ik geïnterviewd heb, temeer wanneer ik exemplaren van de scriptie naar Indonesië wil sturen? Mag ik mijn onderzoekerrol verhullen en provocerende berichten op een internetforum achterlaten om reacties los te maken, wanneer ik daarmee essentiële informatie krijg die anders bijna niet te vergaren is? Mag ik een kritisch rapport over een Indonesische instantie schrijven als daarmee vrijwel zeker de deur voor toekomstige onderzoekers wordt dichtgeslagen?
Met biotechnologie en christelijke waarden hebben deze voorbeelden niets van doen. Wanneer we het lezen van de literatuur bij de contacturen optellen hebben de twee colleges ethiek nog geen 0,1 procent van het curriculum TCZOAO uitgemaakt. Dat is minder dan een vijftigste van de tijd die de CSL voor ethiek wil uittrekken.
Freek Colombijn
UD Talen en Culturen van Zuidoost-Azië en Oceanië
Dit is een brief gerelateerd aan dit artikel