ACHTERGROND - MARE 21, 20 februari 2003

De Leidse jaren van Oscar Hammerstein

‘Je mocht je te buiten gaan aan drank, maar niet aan jongens’

Curriculum Vitae



1954 Geboren te Rotterdam in een katholiek gezin van acht kinderen
1975 Gaat rechten studeren op aanraden van zijn vader. Heeft moeite met staatsrecht, leest het Burgerlijk Wetboek voor zijn plezier. Wordt lid van Minerva en preses van schietvereniging Pro Patria. Bijbaantje: gratis sigaretten uitdelen
1981 Studeert af op civielrecht met als scriptieonderwerp ‘eigenlijke en oneigenlijke zaaksvervanging’
1985 Voorzitter van de Nederlandse Filmkeuringscommissie (tot 1995)
1989 Begint praktijk met oud-koningshuisadviseur Frits Salomonson, die later onderdeel wordt van maatschap Boekel de Néree. Verneemt dat hij drager is van het HIV-virus
1994 Zes weken vastgezet door officier van justitie Fred Teeven. Verdenking: geld witwassen voor drugshandelaar Johan V. alias de Hakkelaar. Wordt vrijgesproken, maar zijn advocatenkantoor keert hem de rug toe
1995-2000 Haalt de publiciteit met het verdedigen van drugs- en wapenhandelaars en het aanklagen van journalisten als Peter R. de Vries en Barend en Van Dorp. IJvert tegen preventief fouilleren, DNA-banken en chemische castratie
2000 Begint advocatenkantoor met Spong. Klaagt Nina Brink en ABN-Amro aan na World Online-debacle
Mei 2002 Spong en Hammerstein klagen na de moord op Fortuyn verschillende journalisten en politici aan wegens demonisering
September 2002 Wordt secretaris van het LPF-bestuur
Nu LPF-lijsttrekker in de Eerste Kamer. Het boek Vervolg ze tot in de hel verschijnt
Had Oscar Hammerstein niet naar zijn vader geluisterd, dan hadden we waarschijnlijk nooit van hem gehoord. Eén van Nederlands beroemdste advocaten was liever dokter geworden. In het tweede deel van de serie interviews met bekende Leidse alumni, vertelt hij over ballen, nichten en de overeenkomst tussen Pro Patria en LPF.

Thomas Blondeau

Waarom bent u rechten gaan studeren?


‘Omdat mijn vader me dat aanraadde. Zelf wilde ik liever medicijnen doen. De vader van een vriendje van me was gynaecoloog; hij reed rond in een mooie snoek-Citroën en ik was vol bewondering voor hem. Ik heb er nog steeds spijt van dat ik geen arts geworden ben. Ik ben graag met mensen bezig en de advocatuur is niet meer wat die twintig jaar geleden was. Dat merk je aan de Orde van Advocaten: die zit nu vol met mensen die nooit meer een rechtszaal vanbinnen zien. In mijn ogen ben je dan geen advocaat.

‘En die grote advocatenkantoren zijn ook nergens goed voor, die belemmeren je onafhankelijkheid maar. Want dan ga je eerst denken aan het bedrijfsbelang en daarna pas aan de toepassing van het recht. Die kantoren zijn gewoon geldmachines. Geef mij maar een klein genootschap, zoals ik samen met Gerard Spong heb. We hoeven ons van God noch gebod iets aan te trekken.’

Waarom ging u naar Leiden? Als ontluikend homoseksueel was u misschien meer aan uw trekken gekomen in Amsterdam?

‘Een paar schoolvrienden kozen voor Leiden en ik ging mee. Bovendien ben ik als Rotterdammer van geboorte nooit zo Amsterdam-minded geweest. Nog steeds niet. Al dat nare linkse gedoe in Nederland komt vanuit die grachtengordel. En Leiden is zo’n mooie stad; ik heb op het Rapenburg gewoond en dat is het mooiste plekje van Nederland. Iedere keer als ik daar kom, voel ik me tot in het diepst van mijn ziel geroerd. Mijn vroegere stamkroeg Keizertje is daar ook. Hoewel ik daar toch vooral voor de leuke ober kwam. Zo’n mooie jongen was dat.’

Een leuke studententijd dus?

‘Het is de enige tijd van mijn leven die ik over zou willen doen. Gezellig naar de markt gaan, over de Breestraat wandelen, studeren in het Gravensteen, dronken van Minerva via de Pieterskerkbuurt naar huis kruipen. Heerlijk!

‘Het enige wat in die tijd niet deugde was dat je in Leiden niet openlijk homoseksueel kon zijn. Er was op dat gebied veel mogelijk, maar als je in de deftige kringen van Minerva wilde verkeren, moest dat allemaal stiekem gebeuren. Je mocht je wel te buiten gaan aan drank maar niet aan jongens. Homoseksualiteit werd als een rariteit beschouwd. Niet dat dat me ervan weerhouden heeft om zo’n driehonderd keer verliefd te worden. En achteraf bleek natuurlijk dat de grootste nichten hadden gewoond in de meest macho huizen.’

En dan toch voorzitter van studentenweerbaarheid Pro Patria geworden - een schietvereniging die niet bekend staat vanwege zijn progressieve karakter?

‘Je moet weten dat Pro Patria toen nog meer in opspraak was dan nu en ik voel me altijd aangetrokken tot controversiële dingen. Nooit in mijn leven heb ik zoveel plezier gehad met een vereniging - behalve misschien bij de LPF. Ik was gevraagd voor het voorzitterschap en mijn beste vrienden waren lid van Pro Patria, vandaar.

‘Dat homoseksualiteit niet geaccepteerd werd, betekende niet dat het niet gebeurde. Ik heb leuke en ondeugende dingen gedaan met leden van Minerva en Pro Patria, als je begrijpt wat ik bedoel. En ik vond de uniformpjes zo leuk. Pro Patria is een schietvereniging maar dat schieten, daar vond ik geen bal aan. Verkleden wel. Een man is op z’n mooist als hij een uniform aanheeft. Niet dat ik advocaat geworden ben om die toga aan te trekken. Die staat zo onflatteus, net een ouwe jurk. En dat beflapje...’

U stond al eens eerder in Mare. Tijdens een uitje naar Waterloo in ’79 heeft Pro Patria zich behoorlijk misdragen. De universiteitsraad en het gemeentebestuur schaamden zich voor uw vereniging. Wat gebeurde er allemaal onder uw bewind?

‘Dat weekend in Waterloo was het leukste uit mijn studententijd. De gemeente Waterloo wilde de slag van 1815 in scène zetten en daar waren wij voor uitgenodigd. Het begon ermee dat we meer hadden gedronken dan voor ons uitgerekend was. En dat wilde de gemeente niet betalen. We waren allemaal dronken en toen we logeerden in het plaatselijk kindertehuis, hebben we de boel op stelten gezet. Brandalarm laten afgaan, auto van de burgemeester laten wegtakelen, dat soort dingen. Erg antimilitaristisch allemaal. De Mare sprak er schande van, waarop ik natuurlijk weer een brief instuurde. Al die mensen van dat weekend zijn toch goed terechtgekomen. Als je ziet wat voor deftige functies die nu vervullen. En nee, ik noem geen namen.

‘Mijn opvolger werd aangesteld om een beetje orde op zaken te stellen. Hans van Baalen was dat, ook niet onbekend gebleven. (Van Baalen moest zich in 1998 terugtrekken als campagneleider van de VVD wegens vermeende nazistische sympathieën. Dat hij preses was geweest van Pro Patria, versterkte dat idee alleen maar, red.) Is Van Baalen ook homo? Dat gebeurt namelijk wel vaker met onze presessen. Nog een gelijkenis met de LPF.’

Hoeveel procent Leidse bal zit nog in uw bloed?

‘Een overblijfsel uit mijn Leidse tijd is in ieder geval een hekel aan de linkse kerk. Aan mensen die denken dat ze als enige mogen bepalen wat er op de politieke agenda staat. Die menen te weten wat bespreekbaar is en wat niet. En zodra daar tegen ingegaan wordt, komen de vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog. Dat gebeurde ook met Fortuyn en daarom is hij vermoord. Er was een klimaat geschapen waardoor Volkert van der G. dacht dat Fortuyn een groot gevaar was. Met de aangifte namens Fortuyn tegen die journalisten en politici wil ik tegen het linkse establishment aanschoppen. En ik ben van plan dat nog heel lang te doen. Over dat haatklimaat verschijnt nu een boekje Vervolg ze tot in de hel. Daarin doen Gerard en ik uit de doeken hoe de klachtprocedure verlopen is. De titel verwijst overigens naar de opdracht die Fortuyn ons toevertrouwde.’

We zullen dus nog van u horen?
‘Jazeker. In mei ga ik naar de Eerste Kamer om even te kijken of ik dat kan combineren met het schrijven van een roman. De Eerste Kamer geeft een heel aardige beloning tegenwoordig. Of ik nog niet genoeg verdiend heb? Ach, wat is genoeg? Hangt er helemaal van af hoe lang ik nog leef. Eigenlijk moet je als advocaat stoppen op je vijftigste. Dan wordt het vak te zwaar. En ik wilde altijd al een roman schrijven.’

Heeft u al een titel bedacht?

De geur van jut of Blond, mooi en eenzaam. Maar die laatste is gejat van Joan Collins.’