ACHTERGROND - MARE 19, 6 februari 2003

voorkant van omstreden boek

Leidse controverse over geruchtmakend boek

Jezus Christus, alias Julius Caesar

Jezus als timmermanszoon uit Nazareth moeten we vergeten. In feite is de verering van Jezus een voortzetting van de cultus van Divus Julius, de na zijn dood tot God verklaarde Julius Caesar. Die gewaagde stelling van de Italiaan Francesco Carotta heeft ook in Leiden voor beroering gezorgd. ‘De verdediging van dit boek door Paul Cliteur is weerzinwekend.‘

Hans Ariëns

Heel veel vertrouwen geeft de inleiding van het boek Was Jezus Caesar? niet. De auteur meldt dat hij het onderzoek aanvankelijk moest uitvoeren ‘naast zijn werk als ondernemer in de informatica en uitgever van boeken‘. Op zich hoeft dat nog geen probleem te zijn, want Francesco Carotta blijkt wel opgeleid als taalkundige en filosoof.
Vervolgens begint hij mogelijk gebrek aan bijval voor zijn boek meteen maar te verklaren. Zijn ontdekking dat Jezus Christus in feite de vergoddelijkte Julius Caesar is, vergt ‘een verandering van paradigma: niet langer staat de aarde centraal, maar de zon; niet langer gaan we uit van het Heilig Land, maar van het tegenwoordig graag vergeten Romeinse Imperium‘. Menigeen, meent Carotta, zal weigeren ‘een blik te werpen in de telescoop van Galilei‘. Behalve een staaltje grootspraak is het ook een gemakkelijke methode om zich tegen alle kritiek in te dekken. Is hier een dilettant aan het werk?
Verderop in het boek wordt duidelijk dat Carotta in ieder geval een vorm van wetenschappelijk onderzoek heeft verricht, maar dan wel met een van tevoren vaststaande conclusie: door verschrijvingen en verkeerde vertalingen veranderde de cultus van Julius Caesar in die van Jezus Christus. Dat moet wel, omdat de parallellen in hun levensgeschiedenissen te frappant zijn. Zo is zelfs het kruis geen exclusief christelijk attribuut: Marcus Antonius voerde een wassen beeld van de vermoorde Caesar rond, bevestigd aan een tropaeum, een T-vormige houten constructie waaraan normaliter de wapens van de overwonnen vijand werden opgehangen.
‘In eerste instantie denk je: dit is helemaal niets, dit kan niet waar zijn, dus ik schuif het terzijde‘, merkte de Leidse rechtsfilosoof dr. Andreas Kinneging op in het Radio 1 Journaal van 24 december. ‘Maar ik moet u zeggen dat ik na lezing geheel van mening veranderd ben. Volgens mij is dit het boek van het jaar 2002!‘
Ook Kinnegings collega mr. Paul Cliteur, pas benoemd tot hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap, nam het voor het boek op. Zijn column in het tv-programma Buitenhof van 1 december wijdde hij aan Carotta‘s ‘ontdekking, die de hele cultuurgeschiedenis omver gooit‘. ‘Even kijken wat er allemaal gaat veranderen. In de troonrede bidt de majesteit om hulp van Caesar, Balkenende leidt voortaan het Caesaristisch Democratisch Appel en Rouvoet de CaesarUnie.‘
Cliteur heeft het geweten. Hij werd onder meer door de Nijmeegse classicus Antoon van Hooff per mail gekapitteld: ‘Ook gij, Paulus? Jij, mederepublikein, rationalist, verdediger van de westerse wetenschap, jij gelooft in het kruidenvrouwtje Carotta?‘
In kringen van Leidse oudhistorici en nieuwtestamentici klinken soortgelijke geluiden. Prof.dr. Henk Jan de Jonge: ‘Als ik Cliteur was, beperkte ik me tot het terrein van mijn eigen deskundigheid. Zijn verdediging van het boek van Carotta is weerzinwekkend. Er staan niets dan klinkklare nonsens in, ongefundeerde speculaties op basis van toevallige overeenkomsten tussen de weergaven van het leven van Julius Caesar en Jezus. Zo kun je nog veel meer parallelle levens construeren.‘
Hoewel Carotta zegt het historische bestaan van Jezus niet te betwijfelen Jezus heette alleen Julius Caesar valt hij natuurlijk wel degelijk de basis van het christendom aan. Volgens De Jonge ketst de aanval echter af op de consensus in de wetenschappelijke gemeenschap. ‘De historiciteit van Jezus is zeker, naar de strengste normen van de wetenschappelijke geschiedschrijving. Ik zou voor geen enkel woord van Jezus in de evangeliën mijn hand in het vuur willen steken, maar dat hij heeft bestaan staat vast met honderd procent onaanvechtbare zekerheid. Er zijn drie onderlinge onafhankelijke bronnen voor: de brieven van de apostel Paulus, de evangelist Marcus, en de bron Q, waaruit de evangelisten Lucas en Mattheüs hebben geput. Ook over zijn boodschap in grote lijnen bestaat eenstemmigheid: dat het oude tijdperk ten einde liep en hij een nieuwe periode aankondigde.‘
Carotta verdient in De Jonges ogen daarom ‘geen seconde aandacht‘. ‘In ons vak word je ongeveer drie keer per jaar opgeschrikt door een hype. Vorige keer was dat de zogenaamde vondst van de botten van de broer van Jezus, Jacobus. Als we ons daarmee gaan bemoeien, komen we niet meer aan ons werk toe.‘
De Jonge staat als theoloog en fervent bestrijder van het atheïsme misschien nog onder de verdenking het christendom te willen beschermen. Maar hoe staat het met Henk Versnel, oudhistoricus van naam en faam, die in het verleden de strijd aanbond met theologen als H.W. Kuitert die kost wat kost historische werkelijkheid in de Bijbel probeerden terug te vinden. ‘Dit is een verzameling apekool‘, zegt hij met de van hem bekende stelligheid. ‘Het is te vergelijken met de negentiende-eeuwse theorie dat de Odyssee in Zeeland speelde omdat Circe naar Zierikzee verwees.‘
De wetenschappelijke consensus over Jezus‘ bestaan is voor hem veel minder zeker dan voor De Jonge. ‘De communis opinio is dat er geen communis opinio over zijn historiciteit bestaat. Uiteindelijk geloof ik dat het haast niet mogelijk is zo‘n cultus op te hangen aan een fantasiefiguur. Jezus was waarschijnlijk een van de zeer vele wonderdoeners die er in die tijd rondgingen. Hij had een bepaalde overtuiging, benadrukte de joodse cultuur en identiteit tegenover de Romeinse en gaf een eigen interpretatie van het Oude Testament.‘
En Romeinse trekken in het Evangelie aanwijzen mag best. ‘Ik heb zelf geprobeerd aan te tonen dat het plaatsvervangend lijden in de brieven van Paulus ontleend is aan een heidense, namelijk Romeinse gedachte. Dat is me door de nieuwtestamentici ook niet in dank afgenomen.‘
Maar dan moet het wel deugdelijk onderzoek zijn. ‘Carotta noemt zich taalkundige, maar hij presenteert een soort middeleeuwse taalkunde waarin gelijkenissen al voldoen bij wijze van verklaring. Dat Galilea van Gallië komt, Kafarnaüm van Corfinium en Judea van Ionië, zoals Carotta beweert, is volstrekte onzin. Dat zijn allemaal prachtige Aramese en Israëlitische namen.‘ Veel meer dan wat bladeren in het boek heeft hij niet gedaan, zegt hij. ‘Toen wist ik wat voor vlees ik in de kuip had. Ik pieker er niet over het echt te gaan lezen. Dat is het ergste wat je van me kunt vragen. Cliteur, die ik altijd graag lees, moet een vlaag van verstandsverbijstering hebben gehad. Hij ziet waarschijnlijk te graag bewezen dat het christendom wetenschappelijk onhoudbaar is.‘
Paul Cliteur zelf ondertussen verbaast zich over de heftige bewoordingen waarin de Carotta-tegenstanders zich uitdrukken. ‘De reacties zijn af en toe bij de spinnen af. Ik heb ook wel mijn kanttekeningen bij het boek. Het zou bijvoorbeeld sterker zijn geworden als er concurrerende theorieën aan bod waren gekomen. Maar ik schrik niet terug voor een wilde hypothese en het bewijs voor het bestaan van Jezus lijkt me niet overtuigend. Als onafhankelijk publiek intellectueel heb je de plicht er onbevangen naar te kijken. En dat mis ik bij de tegenstanders. Hun reactie doet me denken aan het wetenschapsfilosofische werk van Thomas Kuhn: als wetenschappers eenmaal een bepaald paradigma omarmd hebben, willen ze dat niet meer bloot stellen aan kritiek.‘
De discussie is in ieder geval nog niet gesloten, constateert hij vergenoegd. ‘Binnenkort komt het boek uit in Engelse vertaling. Ik ben benieuwd wat het daar losmaakt.‘

Francesco Carotta: Was Jezus Caesar? De Romeinse oorsprong van het christendom. Soesterberg 2002, pag. € 32,-
Zie voor meer informatie: www.carotta.de