ACHTERGROND - MARE 16, 16 januari 2003

Curriculum Vitae
1969: geboren in Somalië
1976: door oppositierol vader vlucht het gezin via Saoedi-Arabië en Ethiopië naar Kenia
1991: ontvlucht uithuwelijking aan Canadese neef, komt via Duitsland in Nederland terecht
1994: behaalt propedeuse maatschappijleer op het HBO
1995: studeert politicologie aan de Universiteit Leiden. Favoriete vak: ‘Politieke elites‘, haalt statistiek met hakken over de sloot; runt eigen tolkkantoor
1997: genaturaliseerd tot Nederlands staatsburger, lid van de Partij van den Arbeid
2000: studeert af op scriptieonderwerp ‘De geleidende rechter?‘ over de vraag of rechters zich niet te veel bestuurlijke bevoegdheden toe-eigenen. Conclusie: Neen
2001-2002: onderzoekster bij Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijke bureau van de PvdA Publiceert kritische artikels over de islam
September 2002: noemt de islam ‘een achterlijke godsdienst‘. Door bedreigingen moet ze onderduiken in Amsterdam bij haar oud-docent Huib Pellikaan. Vlucht later naar de VS
Oktober 2002: stapt over naar de VVD
Nu: terug in Nederland maar nog steeds beveiligd. Nummer 16 op de lijst. Plannen voor proefschrift over het falen van integratiebeleid en ontwikkelingshulp

De Leidse jaren van Ayaan Hirsi Ali

‘Ik ging een brandende hel tegemoet‘

Hoe kijken afgestudeerden terug op hun Leidse studentenjaren? In het eerste deel van een serie interviews met bekende Leidse alumni: Ayaan Hirsi Ali; vluchteling uit Somalië, wetenschappelijk medewerker van de PvdA, en nu: VVD-politica. ‘Tijdens mijn studententijd heb ik alle geboden en verboden overtreden‘

Thomas Blondeau

Hoe was het om hier als Somalische te gaan studeren?
‘Waar ik vandaan kom, mochten alleen de jongens van het gezin naar school. Het onderwijs was bovendien van een heel slechte kwaliteit en duur. Toch mocht ik van mijn vader naar school, iets wat mijn moeder overbodige luxe vond. Wat had ik aan die kennis als ik toch zou moeten trouwen en kinderen krijgen, dacht ze.
‘Toen ik in ‘91 naar Nederland vluchtte, had iedereen het over gelijke kansen. En ik had nog nooit zoveel kansen, zoveel scholen gezien. Er was ook volop werk, al was het dan inpak- of schoonmaakwerk. Het enige wat ik moest doen was de taal leren, toelatingsexamen maken en ik kon terecht op de Universiteit Leiden.
‘Een utopie vond ik het. Een schoolplein vol jonge, nette en intelligente mensen. Allemaal in een permanente staat van intellectuele ontwikkeling, allemaal met als grootste zorg: ‘Haal ik een zesje? Is hij of zij verliefd op me?‘ In dat opzicht is de universiteit geen goede voorbereiding op de echte, boze maatschappij van het volwassen leven.‘

Je vader moest Somalië uit omdat hij in de oppositie zat. Door conflicten heb je zelf meerdere keren moeten vluchten. Besloot je daarom politicologie te studeren?
‘In Somalië zag ik de president met vier motoren en vier dienstwagens voor en nog eens zoveel erachter. In Nederland fietste Wim Kok naar zijn werk. Ik dacht: ‘Arme Wim! Ben je premier, moet je nog steeds met de fiets naar je werk.‘ Ik vroeg me af waar die verschillen vandaan kwamen. Toen ik in een asielzoekerscentrum terechtkwam, was de Muur net gevallen. De hele wereld zat in daar in die wachtkamer. Mensen uit Rusland, Bosnië, Azerbeidzjan, de golfstaten… Ik wilde te weten komen wat er in die landen mislukt was. En waarom het in de westerse landen wel leek te lukken.‘

Waarom Leiden? Er zijn spannender steden.
‘Bij het inschrijven kon ik kiezen tussen Amsterdam, Nijmegen en Leiden. In Nijmegen vond ik de studie veel te breed. Bestuurskunde, planologie en politicologie worden daar op één hoop gegooid. In Amsterdam is het een zooitje, met name voor allochtone studenten. Je moet als allochtoon gewoon een beetje netjes gaan zitten en je krijgt vanzelf een hoog cijfer. In Leiden daarentegen is het onderwijs veel zakelijker en wetenschappelijker. Studeren telt, niet je kleur of geslacht.‘

Leiden benadrukt graag zijn verenigingsleven. Wat deed jij na college?
‘Ik was vierentwintig toen ik ging studeren en vond me te oud voor een gezelligheidsvereniging. Af en toe ging ik dansen op Augustinus en was lid van SPIL, de studievereniging voor politicologie. Veel tijd stak ik in mijn eigen tolkkantoortje Somalisch-Nederlands. Gemiddeld twee keer per dag had ik een gesprek bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst of de blijf-van-mijn-lijfhuizen. Vijf jaar lang heb ik dat gedaan. Vijf jaar lang heb ik een stroom van verhalen vol ellende aan me voorbij zien trekken. Ik zag in die opvanghuizen steeds meer vrouwen met een islamitische achtergrond. Toen begon ik te begrijpen dat alleen maar meer geld in de opvang pompen die vrouwen niet zou helpen. Dat het niet alleen een kwestie van armoede was maar ook van cultuur en godsdienst.‘

Hoe ging je tijdens je studie om met je geloof? Bezocht je de gebedsruimte in het FSW-gebouw?
‘Neen. Ik praktiseerde niet. Voor een fundamentalistisch moslim is de islam een uitvoerende godsdienst. Je moet zoveel keer per dag bidden, geen seks voor het huwelijk enzovoorts anders ben je zondig. Ik had alle geboden en verboden overtreden, zeker tijdens mijn studententijd. Zo kreeg ik een vriendje en leerde alcohol drinken. Na een lezing van de SPIL besloten wat vrienden me in te wijden. Na het glas Martini, dacht ik: ‘Best lekker.‘ Drie glazen later stond ik op, begon heel erg te giechelen om het witte haar van de spreker en viel om. Dat was de eerste keer, later ging de wijn met flessen tegelijk.
‘Ik genoot dus van het leven maar bleef een schuldig gevoel hebben. Ik wist dat ik een brandende hel tegemoet ging. Toen raadde mijn vriend me twee boeken aan, Een goede man slaat soms zijn vrouw van Joris Luyendijk en Atheïstisch manifest van Herman Philipse. Het laatste boek wou ik zelfs niet inzien. Atheïsme, dat kon niet goed zijn, dat was duivels. In Een goede man slaat soms zijn vrouw staat dat de koran het onder bepaalde omstandigheden toelaat dat een man zijn echtgenote slaat. Ik begon te lachen en dacht: ‘Weer zo‘n blanke man die het even komt uitleggen.‘ Tot ik de koran opensloeg en zag dat het erin gewoon in stond!
‘Na El-Moumni en zeker na elf september sloeg de twijfel pas echt toe. Ik stelde mezelf de vraag of ik deze godsdienst kon blijven verdedigen. Het antwoord was neen. En toen begon ik het Atheïstisch manifest wél te lezen. Wie wetenschappelijk bezig is, moet wel in botsing komen met zijn geloof. Ik vraag me af hoe Balkenende dat als christen regelt.‘

‘In 2000 stemde de VVD in met de nieuwe vreemdelingenwet. Dat houdt in dat slechts vijf à tien procent van alle asielzoekers in een opvangcentrum terechtkomt. Hoe is het om bij een partij te horen die u waarschijnlijk buiten de deur had gehouden?
‘Vergeet niet dat Job Cohen van de PvdA die wet heeft vormgegeven. Ik ben voor een beperkte immigratie en geef toe dat ik vandaag de dag niet binnengekomen zou zijn. Voor mij gaat het om de vraag hoeveel vluchtelingen of migranten een land kan verwerken. En ik maak geen onderscheid tussen economische en politieke vluchtelingen. Een soepel immigratie- en integratiebeleid waarbij de mensen gewoon kunnen toestromen en gesubsidieerd hun eigen cultuur kunnen bewaren, is niet te verantwoorden. Niet tegenover de nieuwkomers, de oudkomers of de autochtone Nederlanders. Wanneer de integratie slaagt – daar zal ik mijn uiterste best voor doen - dan is het draagvlak van de autochtone Nederlander groter en kunnen er uiteindelijk meer mensen worden toegelaten.‘

Tot slot: deze Mare verschijnt vlak voor de verkiezingen. Waarom zou een student, ondanks de zware onderwijsbezuinigingen, op jou en de VVD stemmen?
‘Laat ik eerlijk zijn en zeggen dat ik me niet zo met onderwijs bezig hou. Mijn portefeuille is integratie. Kern van mijn aanpak is het idee uit de wereld helpen dat alle problematiek voortkomt uit de tegenstelling rijk-arm. Geweld tegen vrouwen is met 20 procent toegenomen in Nederland. Sommige blijf-van-mijn-lijfhuizen worden volledig bevolkt met allochtone vrouwen. Dat heeft niet alleen te maken met armoede maar ook met cultuur. En wat doet de knuffelkaravaan van de PvdA? Meer geld in opvang steken. In plaats van die vrouwen de taal en een beroep te leren zodat ze economisch zelfstandig kunnen worden. En hetzelfde geldt voor de ontwikkelingshulp. Waarom gaan die predikanten naar Afrika om daar Swahili met een zachte G te gaan prediken? Die mensen hebben John Stuart Mill en een atheïstisch manifest nodig. Niet nog een geloof.‘