WINNAAR GROTE MARE-KOOIJKER KERSTVERHALENWEDSTRIJD - MARE 15, 18 december 2003

Van de jury

Over één ding was de jury het snel eens: Leidse studenten kunnen schrijven. Aan de oproep voor de Mare-Kooyker Kerstverhalenwedstrijd gaven dit jaar 34 studenten gehoor. Creatief waren studenten omgegaan met de verplichte zin: ‘Toen braken er honderden branden uit in de stad‘ (de zin komt overigens uit een nieuwsbericht uit het Leidsch Dagblad, over de oud-en-nieuw-vreugdevuren vorig jaar): van aanslagen en oorlogen tot metaforische en zelfs metafysische duidingen van het zinnetje. De inhoud varieerde van busreizen tot verkrachtingen (beide onderwerpen kwamen meer dan eens voorbij), de genres van klassieke kerstverhalen, aangeklede hilarische anekdotes en sprookjes tot essayistische bespiegelingen. Het was voor de jury, tijdens haar beraad afgelopen zondag in het Amsterdamse schrijverscafé De Zwart, dan ook niet eenvoudig de winnaars te kiezen van de eerste, tweede en derde prijs.
Juryleden Allard Schröder (romancier) en Ilja Leonard Pfeijffer (dichter, romancier, graecus) zijn beide ook redacteur bij het literaire tijdschrift De Revisor en noemen de kwaliteit van de grote hoeveelheid ‘ongevraagde bijdragen‘ die daar binnenkomt doorgaans lager. Pfeijffer, die vorig jaar ook jurylid was, bespeurt zelfs een licht stijgende lijn en noemt het niveau van de verhalen beter dan vorig jaar. Na uitvoerige discussies was de uitslag, nog net voor sluitingstijd van het café, uiteindelijk unaniem.
De derde prijs - een boekenbon van € 50,- - gaat naar de derdejaars rechtenstudente Eva-Christina Dedic, voor haar verhaal ‘Een diploma is nog geen garantie voor het leven‘. Tweede prijs - een boekenbon van € 75,- - verdient Jan-Willem Blok (negendejaars rechten) voor het verhaal ‘Professor Schwarzenberg en de verleiding op het dak van het Winterpaleis‘. De verhalen van de tweede en derde prijswinnaars zijn te lezen op www.leidenuniv.nl/mare.
De eerste prijs, € 250,- aan boekenbonnen, gaat naar de vierdejaars biologiestudent Bram Kroese. De jury prijst de inventiviteit van het verhaal, zowel in stijl, plot als vertelperspectief. Kroese heeft een fantasierijk gegeven fraai uitgewerkt en de jury moedigt hem aan vaker de pen ter hand te nemen. (CW)

Bram Kroese

Vierdejaars biologiestudent Bram Kroese (24) schrijft wel vaker, maar dan voornamelijk over biologische onderwerpen in het verenigingsblad van de NJN (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie), waar hij lid van is.
‘Ik vond het een leuke uitdaging om mee te doen‘, zegt hij, blij verrast te horen dat hij gewonnen heeft. ‘Deze prijs stimuleert me wel om misschien vaker verhalen te schrijven.‘
Voor de boekenbonnen heeft hij al een bestemming. ‘Laatst is de Ecologische Flora verschenen, een vijfdelig naslagwerk dat alle plantensoorten in hun ecologische omgeving beschrijft.‘

Copenhagen ST.03128

Na een knal, weliswaar ver weg, was een deel van de groep vertrokken. Zij, met inscriptie Copenhagen ST.03128, was in een reflex opgevlogen en de rest was gevolgd. Vijf vrouwen en achttien mannen ploegden zich nu een weg door de vrije ruimte, hoog boven het uitgestorven akkerland. In feite hadden ze al op het punt gestaan om te vertrekken. Een ijzige oostenwind was plotseling opgestoken en in no-time was de boel dichtgevroren. Het was een zaak van levensbelang om de vorstgrens voor te blijven. Zeker nu het een kale vorst was, zonder ook maar een vlokje sneeuw om de dorst te lessen.
ST.03128 had alle reden om knallen te wantrouwen. Zo‘n vijftien jaar terug, tijdens haar eerste grote reis naar de laaglanden, was de groep in een hinderlaag terechtgekomen. Een onschuldig graslandje, waar enkele makkers ogenschijnlijk rustig foerageerden, was plotseling in een knalzee veranderd, gevolgd door een krioelende massa honden en mensen. Zowat de helft van de groep was onmiddellijk afgedaald. Sommige gingen loodrecht naar beneden, anderen ondernamen een schitterende kamikazevlucht. ST.03128 was in de lucht gebleven, maar ze had letterlijk de dreiging van de knallen gevoeld toen een klein metalen projectiel er een gaatje had bijgemaakt. Sindsdien zeulde ze, zoals één op de vier van haar soortgenoten, het projectiel en de herinnering aan de pijn heen en weer tussen het Russische Taimyr en Tietjerkstradeel. Jaar in, jaar uit.
Nog geen jaar later werd er nog een stuk metaal aan haar assortiment toegevoegd. Ze waren in oktober met een grote groep voor een tussenlanding neergestreken in de Ringk¿bingfjord in West-Jutland. Een groezelig bordje met de tekst ‘PAS OP. Levensgevaarlijk terrein. Life history-onderzoek. Univ. Kopenhagen‘ had er niet bepaald bedreigend uitgezien voordat ze op een schitterend zoutmoerasje terecht waren gekomen. Een reusachtige knal was het begin geweest van een reeks vervelende incidenten. Een student had na drie dagen vruchteloos bikkelen in zijn schuilhutje onmiddellijk het kannonnet afgeschoten toen er eindelijk een groep op zijn patch was neergestreken. In zijn mateloze opwinding had hij niet gelet op de opstelling van de groep. Een vogel linksachter had, alert als altijd, op een fataal moment de kop opgestoken en kon de anderen niet meer waarschuwen. Als een tennisbal zeilde de kop door de lucht en viel na ettelijke pirouettes met een plof op het net. De overige dieren verdwenen achter een dikke wolk kruitdamp, worstelend onder de mazen. Het was een zinloze worsteling gebleken. Ze waren door een carrousel van mensenhanden gegaan die loerden naar vliegspieren, bloed en vetweefsel. Aan het eind van de rit waren ze allemaal voorzien van een identiteit. Ook zij: Copenhagen ST.03128.
De jaren daarna hadden zich eigenlijk geen vervelende situaties meer voorgedaan. Ongetwijfeld had ze veel profijt van haar neurotische angst voor geluidsexplosies, tot en met dichtvallende klaphekjes aan toe. Bovendien had ze een neus ontwikkeld voor goede en slechte rustgebieden. Ook haar leeftijd bracht voordelen met zich mee die ze zelf niet kon vermoeden. Ze was een volwassen, doorleefde gans geworden. Je zag het in een oogopslag aan de zwartgevlekte flanken. Ze was, kortom, in culinair opzicht niet meer interessant.
Het waren leerzame jaren geweest. Ze had ondervonden dat ze het territorium van de sneeuwuil moest opzoeken om de poolvos op afstand te houden. Ook had ze geleerd dat ze de sneeuwuil beter kon mijden in jaren met weinig lemmingen. Dat waren de jaren dat je je maar beter kogeltje rond kon vreten. In die jaren was de kans op broedsucces, zelfs voor een stevige vrouw als zij, nihil.
Haar omvang, in combinatie met haar ervaring maakte dat ze in barre omstandigheden thans moeiteloos kon optrekken met haar zware mannelijke soortgenoten. Terwijl de rest was vertrokken, waren ze met een grote groep van hoofdzakelijk mannen in Friesland achtergebleven toen de oostenwind kwam opzetten. Daar hadden ze een paar dagen de kou afgewacht, terend op hun reserves. ST.03128 was allicht nog een dag gebleven als er geen knal had geklonken vanuit één van de dorpjes. ST.03128 was onmiddellijk opgevlogen en met haar 22 volgelingen die zich bewust waren van haar kennis en ervaring.
Als een schijnbaar slordige sliert vlogen ze nu naar het zuidwesten. Met deze wind had het geen zin om in V-formatie te vliegen. Ze waren de Flevopolder gepasseerd en even had ST.03128 overwogen om de landing in te zetten, maar ze wist dat de kansen op water en voedsel in Zeeland beter lagen. Omdat de wind ongemeen fel begon aan te zwellen besloten ze iets te dalen. Het was een heldere nacht en beneden doemde een oase van lichtjes op: de bewoonde wereld.
Toen braken er honderden branden uit in de stad. Als ze geen gans was geweest hadden de klokslagen, die beneden zachtjes hadden geslagen, haar wellicht gewaarschuwd. Maar nu was het te laat. De lucht vulde zich in rap tempo met vuur, herrie en kruitdamp als een zwerm aanstormende sentinels. ST.03128 herkende de geur van haar trauma uit de Ringk¿bingfjord. Snel draaide ze naar west, de wind in de rug. Weg van de stad!
Ondertussen begon het druk te worden in de lucht. Overal doemden voortvluchtige vogels op: eenden, duiven, spreeuwen, reigers... Als een breed front vlogen ze dezelfde kant op: wind in de rug, weg van de stad.
Ze waren plotseling met zestien over. Een gillend voorwerp was de groep van rechts gepasseerd en was na een knal in duizend verschillende goudgele sterretjes uiteen gevallen. Zeven ganzen hadden in paniek rechtsomkeer gemaakt en hun droge kwekjes waren in de duisternis verdwenen. ST.03128 en de vijftien anderen waren, ondanks de paniek, verstandig genoeg om het einddoel niet uit het oog te verliezen en vlogen immer westwaarts. Ze wilden net als de duiven, hoger gaan vliegen, maar opnieuw kwam een snerpende gil met een noodvaart naderbij. ST.03128 zag hem aanstormen vanuit haar ooghoek, gaf een krachtige vleugslag om af te remmen en...
ST.03128 merkte vagelijk dat ze hoogte aan het verliezen was. Intuïtief stak ze haar vleugels uit, maar de motoriek liet haar in de steek. Als een esdoornvruchtje dwarrelde ze naar beneden, schampte de aarde en viel met een buikschuiver voorover. Verdoofd lag ze op de grond. De herrie scheen verdwenen, maar de kruitlucht was scherper dan ooit. Desondanks had ze geen haast om te vertrekken.
Ze voelde dat ze beslopen werd. Geschrokken trok ze haar witte ooglid omhoog.
‘Ah shit, hij leeft nog.‘
‘Gadver, wat zielig.‘
‘Arme gans‘, sprak een kenner.
Enkele omstanders hadden gezien hoe de Triple Victory Galaxy Rocket uit elkaar was gespat in gele, rode en blauwe sliertjes op het moment dat er een groepje vogels passeerde. Eén vogel was na de klap pardoes uit de lucht getuimeld en een paar honderd meter verder op de parkeerplaats gevallen. Nu hadden ze het dier gevonden.
‘We moeten de dierenambulance bellen.‘
Vijf omstanders haalden hun mobiele telefoon tevoorschijn.

ST.03128 krabbelde overeind, tuimelde gevaarlijk voorover, hervond haar evenwicht en begon te lopen. Nu pas waren haar verwondingen goed te zien in de schemering van de lantaarn. Een groot deel van de nekveren was weggeschroeid en op sommige plaatsen schemerde rood-wit vlees door de hals. Ook de linkervleugel had schroeiplekken, maar leek niet gebroken.
‘Pas op, hij ontsnapt!‘
De groep mensen begon zich met omtrekkende bewegingen te verspreiden. Benen, benen, overal benen. Nergens een doorgang. De kring begon kleiner te worden en... iemand had haar gegrepen. Een jonge kerel hield haar in een stevige houtgreep in afwachting van de dierenambulance. Het scheen niet het beste tijdstip om een dierenambulance te bestellen. Tien minuten waren er verstreken en ST.03128 voelde de houdgreep langzaam verslappen. Plotseling strekte ze haar nek, gaf een dolkstoot in het gezicht van de jongen en spreidde haar vleugels. Geschrokken liet hij haar vallen. Klapwiekend rende ze over de parkeerplaats, achterna gezeten door een horde jongelui. Het koste haar moeite om van de grond te komen. De vuurpijl had een hap uit haar armpennen geslagen, maar ze wist juist op tijd hoogte te winnen. Rakelings scheerde ze over de dakrand, nagekeken door een verbijsterde menigte.

Het was donker geworden in de stad. De vuurzee was gaan liggen, maar de wind was nog even sterk. Ze stelde haar koers bij: noordwest, weg van de stad. Ze voelde de oostenwind in haar nek blazen.
Hij vond haar in de polder, langs één van de laatste dichtgevroren wakken.
‘Een kolgans‘, sprak de kenner.
Hij was, zoals hij zich graag liet noemen, ‘vogelaar‘. Sinds een paar jaar maakte hij wekelijks een ommetje door de polder om de gevederde diversiteit te bewonderen. Hij was echt goed. Feilloos identificeerde hij iedere stip aan de horizon, en dat hij eigenlijk nog een kwart fout benoemde, merkte niemand. Ook hijzelf niet. Het was een aangenaam tijdverdrijf en bovendien oogstte het veel bewondering bij zijn vrouw.
Hij draaide de gans om. Ze was koud. Een glimmend voorwerp schitterde in de winterzon. Hij las: ‘Copenhagen ST.03128‘.
Hij brak de poot af en bond de ring om het koord van zijn verrekijker. De tweede al dit jaar!

Bram Koese