ACHTERGROND - MARE 10, 13 november 2003

De Leidse jaren van Anna Enquist

‘Ik vond Leiden een beklemmend rotstadje‘

Curriculum vitae

1945 geboren als Christa Broer.

1963 - gaat na het gymnasium psychologie studeren in Leiden. Studeert naar eigen zeggen op tijd af.

1969 - werkt als psychologe in de zwakzinnigenzorg en begint piano te studeren.

1976 - gaat aan de slag aan als schoolpsychologe in het conserva-torium.

1988 - geeft haar baan aan het conservatorium op en gaat werken in het Psycho-analytisch Instituut.

1991 - debuteert onder de naam Anna Enquist met de dichtbundel Soldatenliederen.

1994 - debuteert als romanschrijfster met Het meesterstuk. Meer dan 150.000 exemplaren worden verkocht.

1995 - als fervent voetballiefhebster schrijft ze kortverhalen in Hard gras, een literair tijdschrift over voetbal.

1997 - publiceert bestseller Het geheim over een gefnuikte pianiste en ongelukkige liefdes.

2001 - Enquists dochter Margit (27) sterft in een verkeersongeluk. Enquist ijvert daardoor voor verplichting van dodehoekspiegel voor vrachtwa-gens. De spiegel, die aanvankelijk te duur en weinig effectief zou zijn, werd in-gevoerd.

Nu - legt de laatste hand aan een nieuwe dichtbundel die begin volgend jaar verschijnt.
Niet iedereen koestert warme herinneringen aan Leiden. Schrijfster Anna Enquist (58) bijvoorbeeld begon pas te leven na haar studie psychologie. Een interview over de stilte en eenzaamheid van het studentenleven. ‘Het heeft wel iets veiligs zo‘n klein stadje, maar je bent enorm veroordeeld tot de weinige dingen die er zijn.‘

Thomas Blondeau

Uw leefwereld – piano, zwakzinnigenzorg, psycho-analyse - klinkt sterkt door in uw boeken. Toch komt Leiden nauwelijks voor. Niks beschrijvenswaardig meegemaakt als student?
‘Ik denk dat ik daar nog niet aan toe ben. Toevallig ben ik net weer eens in Leiden geweest. Een bizarre ervaring omdat er zoveel herinneringen aan alles kleefde. Nu vond ik het allemaal oubollig en ontzettend truttig, met geschoren buxusboompjes in mandjes. Allemaal zo opgeleukt, terwijl Leiden helemaal niet leuk is.
‘Waarschijnlijk koos ik ooit voor Leiden omdat ik opgegroeid ben in Delft, een verschrikkelijk beklemmend stadje. Maar kennelijk was ik aan zo‘n soort stad gehecht, daarom sprak Leiden me aan, net een kleine huiskamer.
‘Maar de tijd in Leiden vond ik vreselijk. Ik dacht altijd: “Na het volgende tentamen wordt het leuk“ maar het werd pas leuk helemaal aan het eind. Toen kon ik me verdiepen in de zwakzinnigheid. Er kwamen nieuwe leertheorieën uit Amerika overgewaaid en die gingen we met een klein groepje gelijkstemden exploreren.‘

Waarom psychologie?
‘Echt een verlegenheidskeuze. In die tijd was ik liever naar het conservatorium gegaan. Maar we zaten nog in dat naoorlogse denken dat je je talenten moest uitbuiten en doorstuderen als je dat kon. Daar heb ik mijn oren naar laten hangen. Leiden bood toen een brede psychologieopleiding met veel filosofie en sociologie. Niet dat ik daar wat aan vond, maar er was een diversiteit aan vakken die me wel aantrok. Er waren toen vijf of zes instituutjes die allemaal ruzie hadden met elkaar en nooit werden die vakken met elkaar in verband gebracht.
‘Ik vond het conservatorium daarom ook zo‘n verademing na mijn studie psychologie. Het was veel speelser. Veel meer op jou gericht en de mogelijkheden die het spelen biedt. Een bijna euforische toestand. ‘

Speelde de studentenvereniging een belangrijke rol?
‘Ik zat bij die meisjesvereniging, de VVSL (Vereniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden, later opgegaan in Minerva), zoals bijna alle meisjes toen. Het immense verenigingsgebouw zat op het Rapenburg en iedereen werd daar lid, op zoek naar vrienden. Maar ik heb me daar nooit zo mee bemoeid.‘

Wat voor student was u?
‘Ik heb alles netjes op tijd ingeleverd en afgemaakt omdat ik na mijn studie iets wou gaan doen wat ik wel leuk vond. Maar ik zat echt niet de hele tijd met mijn neus in de boeken, Ik stond altijd aan de zijkant van alles. Ik had nooit zo‘n zin in het hele groepsgebeuren in dat beklemmende rotstadje. Het is natuurlijk de tijd van je leven dat je voor het eerst dronken wordt en seks leert kennen. Maar veel is daar niet over te zeggen.
‘Wat ik wel leuk vond was het studentenorkest. Ik speelde toen cello. Kon ik eigenlijk helemaal niet dus ik volgende lessen bij een Leidse muziekschool, heel lieve leraar daar. ‘

U studeerde in de jaren zestig. Waren ze roerig?
‘Ik denk dat Leiden in alles behoorlijk achterloopt, dus roerig kun je die tijd niet noemen. Een vriend van mij was toen bezig met een Vietnam-comité en dat was het wel zo‘n beetje. En soms hadden we discussies over dat communisme toch goed was voor heel arme landen, want dan kwam de boel daar op de rails. Maar in opstand komen tegen docenten, dat gebeurde in Leiden niet. Of het was allemaal heel redelijk en beleefd. Ik moest me echt cognitief inprenten wat nu links en wat rechts was. Ik had daar wel een historisch besef van, maar waar ik nu zelf stond in het politieke veld, daar had ik geen flauw idee van.
‘Het was een besloten gemeenschapje met onuitgesproken regels. In die tijd wist je ook niet van een ander of hij homo was, of jood. Of wat ouders in de oorlog hadden gedaan. Er werd niet over gesproken. Gek werd daar ik van.‘

Uw generatiegenote en collega-psychoanalytica Iki Freud vindt mannelijke studenten tegenwoordig relaxter dan in haar studententijd. Toen konden ze namelijk niet omgaan met hun seksualiteit en wilden ze iedere studente die met hen praatte gelijk bespringen. Herkenbaar?
‘Ik denk niet dat het nu anders is. Het is iets wat echt bij die leeftijd hoort. Daar is die studententijd toch gedeeltelijk voor bedoeld. Hoe je het wil en of je het wil. Het vermogen om alleen te zijn, dat had mijn generatie meer dan die van mijn kinderen. Toen ik studeerde, had bijna niemand telefoon. Wilde ik bellen, dan moest ik naar mijn vaste café l‘Espérance. Als je een weekend overbleef en iedereen was naar zijn ouders, kon je zo eenzaam worden in die stad.‘

U bent studentenpsychologe geweest en hebt zelf geen leuke studietijd gehad. Advies voor studenten met diezelfde onvrede?
‘Ach, dat geadviseer, daar geloof ik niet meer in. Ieder individu moet toch alles een keer meemaken. Wat belangrijk is dat studenten niet moeten aarzelen met zoeken van therapeutische hulp. Daar had ik beter aan gedaan. Maar ja, ook daar had niemand het over.‘

Liep de studente Enquist rond met een kladblok vol gedichten?
‘Helemaal niet. Ik had Russisch als bijvak toen, maar ik heb nooit de aanvechting gehad om literatuurcolleges te volgen, hoewel ik altijd veel gelezen heb. Eigenlijk weet ik nog steeds geen bal van literatuur. Ik heb me pas voor schrijven geïnteresseerd eind jaren ‘80. Met muziek was ik meer bezig, in mijn hoofd of in het echt.‘

U bent de eerste in deze reeks die zijn of haar studententijd niet verheerlijkt. Was het allemaal kommer en kwel?
‘Ach, het heeft iets veiligs, zo‘n klein stadje. Maar je bent enorm veroordeeld tot de weinige dingen die er zijn. Ik herinner me Leiden als een matte, mistige, grijze stad vol eenzaamheid. Maar het menselijk geheugen laat meestal alleen de nare dingen bovendrijven. Ik heb er ook lol gehad, hoor.
‘Ik heb in ieder geval geen bijzondere herinneringen aan Leiden. Of het moet van na mijn studententijd zijn. Ik had gehoord dat ze die grote, rode beuk aan het begin van de Hortus hadden omgezaagd omdat die ziek was. Toen ben ik in de auto gestapt om er te gaan kijken. Een vreselijk gezicht, die boom in stukken op de grond. Dat was twintig jaar na mijn studie. Die beuk was een baken in mijn studententijd. Ik woonde er vlakbij. Nu is de Hortus zo kaal en leeg. Ik ben toen maar vlug naar Amsterdam teruggereden. Wat je mooi vindt in Leiden, pakken ze nog af ook. Zo zou je het kunnen omschrijven.‘

Hoe gaat het nu met u?
‘Slecht. Mijn dochter is dood. En ik heb geen zin om over mijn gevoelens te liegen.‘