ACHTERGROND - MARE 7, 23 oktober 2003

De ziekte van Pfeiffer: met een leven vol slaaptekort en speekselcontact is het snel bekeken

Uitgeput door VASTHOUDEND VIRUS

Menig studentenbestaan wordt er wreed door onderbroken: de ziekte van Pfeiffer. De ongelukkigen liggen maandenlang op de bank, anderen merken er niks van. Maar voor beide groepen geldt: niemand komt van het virus af. ‘Ik viel achter mijn bureau in slaap.’

Hester van Santen

Irene Groot (22) studeert scheikunde en had Pfeiffer van november 2002 tot februari 2003. ‘Ik werd ineens ontzettend ziek: keelpijn, spierpijn, misselijk, overgeven en m’n urine had de kleur van thee. Mijn huid werd steeds geler, want mijn lever bleek niet meer te werken. Bijna moest ik naar het ziekenhuis. Een maand heb ik nauwelijks gegeten. Ik mocht alleen water en thee, helemaal geen vette of zoete dingen. Ik heb zes weken in bed gelegen. In een maand ben ik acht kilo afgevallen, al mijn kleren waren te wijd.’

Er zijn mensen die overlijden aan de ziekte van Pfeiffer. Maar dat is hoogst zeldzaam: de meesten merken juist niets van een besmetting. ‘Het virus dat Pfeiffer veroorzaakt, is dan ook goed aangepast’, zo verklaart LUMC-hoogleraar experimentele microbiologie Emmanuel Wiertz het verschijnsel.
Hij en zijn collega’s doen al jaren onderzoek naar dit Epstein-Barr-virus (EBV) en aanverwante ziekteverwekkers. Allemaal behoren ze tot de herpesfamilie (bekend van onder andere waterpokken, koortslippen en herpes genitalis) en hun infecties zijn zonder uitzondering blijvend.
Enkele weken geleden publiceerde Wiertz’ onderzoeksgroep weer een nieuw mechanisme waarmee EBV ons immuunsysteem ontduikt. Ditmaal gaat het om een gen dat zorgt dat bepaalde witte bloedcellen de infectie niet opmerken, maar de lijst van stealth-tactieken van herpesvirussen is lang en divers. Ze zorgen ervoor dat de virussen zich kunnen vermenigvuldigen en in ons lichaam kunnen gedijen zonder door het immuunsysteem te worden uitgeschakeld.
Wiertz: ‘Bovendien word je van een herpesinfectie meestal niet zo ziek dat je gevloerd bent.’ Ook dat is evolutionair voordelig, want wie veel rondloopt en virussen verspreidt, zorgt voor nieuwe besmettingen. Herpesvirussen bestaan al tientallen miljoenen jaren en hebben in die tijd hun strategie ontwikkeld: wel hardnekkig zijn, maar niet agressief. Irene Groot is dus een ongelukkige uitzondering.

Reinild van der Vecht (21) studeert geschiedenis en had Pfeiffer van december 2002 tot juli 2003. ‘Ik dacht eerst dat ik zo moe was omdat ik het te druk had. Ik zat bij mijn vereniging in de commissie die de El-Cidweek en het kamp organiseert, ik heb veel vrienden en dronk een tijd behoorlijk veel. In de kerstvakantie ging ik ‘s middags slapen en ‘s avonds vroeg naar bed, maar de vermoeidheid bleef. Na vijf minuten in de UB hield ik het voor gezien en thuis viel ik achter m’n bureau in slaap.’

Een Pfeiffer-infectie lijkt iets dat vooral jongeren treft, maar eigenlijk is dat niet zo. In zijn leven raakt bijna iedereen wel besmet, zo vertelt hoogleraar Wiertz. ‘Misschien dat er mensen resistent zijn, maar daar zou ik niet teveel op rekenen.'
Wel is het typisch iets voor studenten om er ziek van te worden. ‘Wie als kind besmet raakt met Pfeiffer, merkt er nooit wat van. Maar hoe ouder je bent, des te groter wordt de kans om symptomen te krijgen. Hoe dat komt, weten we niet.’ Als je op je twintigste het virus pas tegenkomt, is het vaak echt raak.
Vooral hoogopgeleiden worden zo laat besmet, zo blijkt uit Amerikaans onderzoek. Wiertz: ‘Misschien poetsen hun ouders het servies beter of worden ze als kind in kleinere groepen opgevangen.’ In ontwikkelingslanden met minder hygiëne leidt EBV bijna nooit tot ziekte. Maar komt een rein opgevoede gymnasiast terecht in een fusie waar je je mok eerst moet uitkrabben voor de koffie erin kan en begint een leven vol slaaptekort en speekselcontact, dan is het snel bekeken. Maar ook een andersoortige aanslag op het immuunsysteem kan de doorslag geven.

Astrid Manhoudt (29) is aio bij het Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden en had Pfeiffer van maart tot augustus 2003: ‘Ik ben de afgelopen jaren al veel ziek geweest: ik had vermoeidheidsklachten door een Candida-infectie (een schimmel in de darmen, red.). En ik liep al lang met een kaakontsteking, waarvoor ik een jaar geleden werd geopereerd. Daardoor voelde ik me al niet lekker, maar het herstel duurde te lang: ik hield gigantische keelpijn en bleef moe. Dat kwam omdat ik uiteindelijk ook Pfeiffer bleek te hebben.
‘Ik ging een tijd nauwelijks naar vrienden. In februari ben ik gestopt met paardrijden en een maand later met schaatsen; ik had er geen energie voor. Op mijn werk kon ik dagen op een wetenschappelijk artikel zitten ploeteren zonder dat het doordrong. Nu pas wil ik weer beginnen met sporten.’


Vermoeidheid is het bekendste symptoom van de ziekte van Pfeiffer. ‘Gek genoeg komt de ziekte niet van het virus zelf, maar van een overdreven reactie van het immuunsysteem’, aldus de microbioloog. Wie ziek wordt van een EBV-besmetting maakt veel meer T-cellen (een type witte bloedcellen) dan nodig is om de infectie tegen te gaan.
Daarvan zwellen de lymfeklieren in de hals zo op dat je keelpijn krijgt. Ook de milt zwelt op - scheurt die, dan kan de infectie fataal aflopen - en de leverfunctie raakt verstoord door alle T-cellen die zich er ophopen. De immuun-perikelen leiden bovendien tot langdurige moeheid. Emmanuel Wiertz: ‘Waarom juist Pfeiffer tot zo’n vreemde reactie leidt, weten we niet. Misschien komt het doordat Pfeiffer juist B-cellen (een ander type witte bloedcellen, red.) infecteert.’

Irene: ‘Mijn huisarts kon er niets aan doen, al had ik wel keeltabletten tegen de keelpijn. Begin januari was dat voorbij, al bleef ik wel erg moe. En vanaf februari heb ik weer fulltime meegedraaid met het SSR-bestuur waarvan ik lid was. Maar ik merk het nog steeds aan m’n imuunsysteem. Ik word snel verkouden, wel twee keer in de maand.

Omdat het niet het virus is dat klachten geeft, is er eigenlijk geen behandeling voor Pfeiffer mogelijk. Wiertz: ‘Dan zou je de T-cellen moeten onderdrukken, maar dat is nogal ingrijpend.’ De onderzoeksgroep van Wiertz houdt zich wel bezig met EBV in transplantatie-patiënten. Bij hen blijkt het virus namelijk een extra gevaar op te leveren: als hun immuunsysteem wordt platgelegd om de afstotingsverschijnselen tegen te gaan, kan een EBV-infectie tot kanker leiden. Maar over de doorsnee-patiënt is hij duidelijk: ‘Je moet gewoon rust houden’.

Reinild: ‘Toen ik ziek was heb ik weinig alcohol gedronken en veel fruit gegeten. En ik probeer nu meer rust in mijn leven te brengen: gewoon thuis een boek lezen of zo. Ik was weer echt mezelf toen ik op vakantie was geweest bij mijn broer in München. Toen ik thuis kwam, kon ik zeggen: ‘Zo, ik ben er weer.’