PROEFTUIN - MARE 34, 13 juni 2002

Grieks in de speeltuin

Ze pendelde tussen universiteit en peuterschool. In de laatste twee jaar van haar studie aan de universiteit van Rethymno (Kreta) bracht Marina Tzakosta wekelijks een dag door tussen kinderen van een half tot vier jaar oud.
Nee, geen bijbaantje als peuterleidster, maar serieus wetenschappelijk onderzoek. Tzakosta wilde weten hoe kinderen de Griekse taal leerden spreken. Ze liet een bandrecorder meelopen terwijl de kinderen met haar en met elkaar speelden, en dit leverde maar liefst honderdtwintig uur tape op. Die is ze nu aan het uittypen en aan het analyseren in Leiden, waar ze sinds twee jaar aio bij Algemene Taalwetenschap is.
Soms leek het inderdaad op een bijbaantje in de crèche. ‘De eerste keer maakte ik nog geen opnamen, maar stelde ik me gewoon voor, speelde wat met ze, zodat we aan elkaar gewend raakten.‘
Het echte onderzoek, met de bandrecorder open, verliep ook in een speelse context. ‘Ik speelde spelletjes met de kinderen of liet ze met samen elkaar spelen, buiten in de speeltuin. Ik wilde ze per se niet in een of ander laboratorium laten praten omdat ze dan anders reageren, terwijl ik juist op zoek ben naar de natuurlijke taal, en de natuurlijke taalontwikkeling‘, vertelt de Griekse.
De kinderen mochten haar al gauw. ‘Iedere keer als ze mijn gezicht zagen wisten ze: ha, we gaan weer iets leuks doen.‘ Vooral de jongste kinderen waren nogal onder de indruk van haar grote bandrecorder. ‘Ze wilden natuurlijk op de knoppen drukken, en telkens weer hun eigen stemmen terughoren.‘
Tzakosta‘s onderzoek richt zich op de fonologische ontwikkeling van de kindertaal, de klanken en de intonatie. Zo blijkt dat kinderen die net een taal leren spreken moeilijke clusters van medeklinkers vereenvoudigen. Het woord ‘stavrós‘ (kruis) spreken ze vaak uit als ‘dádo‘, waarbij de klemtoon ook nog een lettergreep naar voren verspringt. En als het helemaal moeilijk wordt, zoals in ‘ecsofanistice‘ (hij of zij verdween), komen ze niet veel verder dan ‘féce‘.
‘Kinderen die geboren worden hebben allemaal hetzelfde scala aan klanken dat ze uitproberen‘, legt de promovenda uit. ‘Zo hoor je Griekse kinderen bijvoorbeeld ook langgerekte klinkers uitspreken, terwijl je die in het Grieks niet hebt. In het Nederlands wel, zoals in het woord “vóórstellen”. Later leren ze dat hun taal die klanken niet gebruikt, en schakelen ze die mogelijkheid uit.‘
Zo is een taal leren, volgens de theorie van de ‘universele grammatica‘, uiteindelijk een kwestie van de juiste knoppen in je hoofd omzetten, totdat het hele systeem zodanig staat ingesteld dat je je moedertaal spreekt. Het basis-taalvermogen zou bij ieder kind, van welke cultuur dan ook, hetzelfde zijn. Voor het Grieks is dit onderzoek nog nooit gedaan.
‘Maar eigenlijk ben ik niet zo theoretisch ingesteld‘, relativeert Tzakosta. ‘Het mooie van dit onderzoek is dat het tegelijkertijd ook gewoon leuk is om met kinderen bezig te zijn. Misschien wil ik na mijn promotie wel logopediste worden, dan ben je ook praktisch bezig.‘
Of ze dit in Nederland wil doen weet ze nog niet. ‘Het was een enorme schok toen ik in Nederland kwam, qua cultuur en qua klimaat. Het is nu eind juni en ik loop met mijn jas aan! Wel is Leiden de beste plaats om dit soort onderzoek te doen. Ik Griekenland heb je vrijwel geen specialisten op dit gebied.‘ Maar de komende zomer gaat ze toch in haar moederland doorbrengen. ‘Lekker met mijn laptop op het strand gegevens verwerken.‘

Christiaan Weijts