Zes boekenkasten, een grote hutkoffer, boodschappentassen vol paperassen, brieven, manuscripten en kladpapiertjes. Dat was wat Mieke Koenen aantrof in het stadsarchief van Zutphen, waar de nalatenschap van de excentrieke Ida Gerhardt wordt beheerd. ‘Ik kwam in het graf van Toetanchamon.‘
Koenen, post-doc Latijn aan de Universiteit Leiden, werd na de dood van Ida Gerhardt in 1997 betrokken bij het beheer van de nalatenschap. De erfgenamen wilden er graag een classicus bij hebben omdat naast de bijbel de klassieke oudheid de grote inspiratiebron is geweest van Gerhardt. De dichteres begon in 1924 aan een studie klassieke talen in Leiden en promoveerde in Utrecht op een vertaling van de Latijnse dichter Lucretius.
De buitenkans om in de paperassen van haar idool te mogen speuren naar klassieke invloeden, greep Koenen met beide handen aan. Zij het met schroom: ‘Aanvankelijk vond ik het bijna niet gepast, om met je vingers in haar papieren te zitten.‘
De brieven van Gerhardt vormden een belangrijk en omvangrijk deel van de nalatenschap. Geconfronteerd met het vele nieuwe materiaal besloot Koenen haar onderzoek naar de dichter Lucretius tijdelijk stil te leggen. Met het onderzoek naar de correspondentie was namelijk haast geboden, want de ‘penvrienden‘ van Gerhardt hadden zelf ook niet het eeuwige leven. Wilde Koenen, die de dichteres zelf nooit heeft ontmoet, de mensen uit Gerhardts briefwisselingen nog spreken, dan moest dat snel. Een goede keuze, blijkt achteraf. Eén van de oud-leerlingen van Gerhardt die waardevol materiaal gaf, is inmiddels overleden en een oude vrouw die nog bij de promotie van Gerhardt is geweest en daar aantekeningen van had, is inmiddels te ziek om op de presentatie van Koenen‘s boek te komen.
Kladpapier
Koenen is al lang een fan van de dichtkunst van Gerhardt, zo zegt ze. De bewondering voor haar poëzie begon met een spreekbeurt die ze in 1980 over de dichteres hield. Gerhardt had toen net de P.C. Hooftprijs gewonnen. ‘Vanwege de kracht en de bondigheid waarmee ze schrijft, de hardheid. Neem haar natuurgedichten. Natuurpoëzie kan heel wee zijn, maar bij Gerhardt gaat het over ongenaakbaarheid, over de warse kanten. Helemaal niet liefelijk of zacht, maar koppig en schuw. Gerhardt was niet het type om over madeliefjes te schrijven. Zij dicht over de acanthus, een eenzaam groeiende, cactusachtige plant.‘
Dat veel van het werk van Gerhardt door de klassieken werd beïnvloed is algemeen bekend. Maar dankzij de aantekeningen die Gerhardt maakte in de marges van boeken van klassieke auteurs, is die invloed nu regelrecht te traceren. ‘Ida was erg zuinig met papier. De kantlijnen van haar boeken gebruikte ze als kladpapier. Soms voor een moment van inspiratie, soms omdat het toevallig het enige papier was dat ze bij de hand had. Als ze bijvoorbeeld bij Lucretius leest dat de ziel sterfelijk is, schrijft Gerhardt Ð zelf gelovig - in de kantlijn: alles even simplistisch!‘
De liefde voor de klassieke oudheid ging ver. ‘Ze was zo één met de oudheid. Gewone, alledaagse dingen zag ze in het licht van de klassieken. Had ze problemen met de tuin, dan beschreef ze die in haar gedichten met de Georgica van Vergilius. De acteur Henk van Ulsen, een vriend van haar aan wie ze brieven schreef, noemt ze Achilles.‘
Zuurs
Bij het doorspitten van Gerhardt‘s papieren kwam Koenen steeds weer één en dezelfde naam tegen. Dat was die van de heer Leopold, Gerhardt‘s leraar Grieks op het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam.
Koenen constateerde dat haar fixatie op Leopold, zelf dichter, niet afnam met het klimmen van de jaren, maar juist heftiger werd. Ze verafgoodde haar oude leraar Grieks, waar ze overigens maar drie jaar les van had gehad en die een zeer groot charisma moet hebben gehad. De fixatie op haar leraar was volgens Koenen niet altijd goed voor de kwaliteit van haar gedichten. ‘Leopold schildert ze af als de grote miskende. Als ze zich teveel door zijn taalgebruik liet leiden, werd het niet goed. Haar eigen taal is veel concreter, veel toegankelijker.‘
‘Ik was verrast door de mate van bewondering voor, en het non-stop leven met Leopold, dat het zó heftig was. Over welke auteur ze het ook heeft, Leopold betrekt ze erbij.‘
Ook Gerhardt zelf voelde zich miskend tijdens haar leven. Ze heeft tijdens haar leven altijd onder vuur gelegen van de literaire kritiek, die haar poëzie te prekerig vond. Ook uit haar correspondentie blijkt dat Gerhardt heel leraresserig, jufferig kon zijn, ‘Jij leest er dat in, maar ik bedoelde dát‘, schrijft ze dan.
Koenen: ‘Ze had een enorme angst niet begrepen te worden. Een van de irritante trekjes die uit de brieven naar voren komt is dat ze klaagt dat ze nooit erkenning heeft gekregen. Dat is waarschijnlijk terug te voeren op jeugdervaringen. Haar moeder kon haar nooit accepteren. Ook in haar gedichten klaagt ze daar rechtstreeks over. Ze was gefrustreerd dat de Vijftigers alle aandacht kregen, dat waren de vernieuwers.‘
Die frustratie van Gerhardt was overigens niet helemaal onterecht. In 1968 kreeg Gerhardt weliswaar de Martinus Nijhoffprijs, maar dat was voor werk van vijfentwintig jaar eerder. Gerhardt publiceerde eind jaren zestig in Maatstaf enkele psalmvertalingen. Die vielen op, en toen pas ontdekte men ook haar oude vertaalwerk. Koenen: ‘dat heeft iets zuurs‘.
Het autobiografisch gehalte in Gerhardt‘s gedichten is groot en dat was iets anders dat sommige critici geërgerd heeft. ‘In één van haar Ierse gedichten heeft ze het over een ram, ook al zo‘n eenzaam beest, die verstoten is door zijn moeder, en heerser wordt in zijn eigen kudde. Autobiografischer kan het haast niet. Daar zitten overigens mooie verwijzingen in naar de manier waarop Vergilius schapen beschrijft. Gerhardt ziet zich als de dichter die bewust de eenzaamheid zoekt om te leven in dienst van de poëzie, de ‘ballingschap tot het vers‘, zoals ze dat noemt.‘
Vreselijk
De poëzie van Gerhardt is tweezijdig, stelt Koenen. ‘Soms heel plechtstatig, alsof er een boodschap wordt gepredikt. Dan is ze vaak niet op haar best. Haar beste gedichten zijn sober.‘ Koenen vindt het Gerhardt-gedicht Code d‘honneur op de zijgevel van het LAK-gebouw dan ook minder geslaagd: ‘Het is zo verkondigend, ik vind het vreselijk! Dat had eruit gemoeten. Ze heeft over haar leraarschap zoveel mooiere gedichten geschreven. Neem bijvoorbeeld ‘Eindvergadering‘, waarin ze leraren in de lerarenkamer die clichématig over leerlingen praten vergelijkt met beesten in een terrarium: ‘Suf hokt de ziel in een verdord karkas‘. Dat muurgedicht is sentimenteel, zoetig, op de knieën. Mensen vragen vaak aan mij of ik weet hoe het daar gekomen is. Zo‘n betuttelend gedicht, dat hoort niet op een letterenfaculteit.‘
Koenen is tevreden over haar speurtocht naar de klassieke motieven in Gerhardts werk. ‘Ik heb overigens niet met een vlindernetje naar klassieke motieven lopen zoeken. Met dit boek is een wezenlijk deel van haar werk besproken. De religieuze kanten van haar werk (haar psalmenvertaling) laat ik echter aan anderen over. Daar heb ik zelf niet de achtergrond voor, ik ken namelijk geen Hebreeuws. Ik vind het jammer dat het af is. Als classica ben je niet verwend met zo‘n rijkdom aan nieuwe gegevens. Het was ontroerend om te zien hoe haar handschrift, dat altijd kaarsrecht was, in de laatste fase van haar leven begint te zweven over de bladzij.‘
Mieke Koenen: Stralend in gestrenge samenhang. Ida Gerhardt en de klassieke oudheid. Historische Uitgeverij Groningen. 286 pp. € 24,95