ACHTERGROND - MARE 29, 25 april 2002

Erik Hazelhoff Roelfzema, verzetsstrijder van het eerste uur

Oorlogsheld zonder kapsones

Hij blijft bescheiden onder zijn heldenstatus, Erik Hazelhoff Roelfzema (85). De Soldaat van Oranje die dankzij zijn kordate houding het grijze Nederlandse oorlogsverleden nog enige glans gaf. Tegenwoordig is hij bescheidener en milder dan ooit. ‘Hoe word je een oorlogsheld? Leer goed schrijven.’

Ron Magnée

‘Ik ben geen grote Leidenaar. Nooit geweest ook. Ik heb geen grote job gehad bij mijn vereniging, het corps. Ik was niemand in Leiden. Tot de jaren zeventig, toen de film Soldaat van Oranje uitkwam. Toen is de mythe ontstaat. Maar eigenlijk loop ik die mythe in de weg. Het idee van de Soldaat van Oranje is prachtig, dan zie je een jeugdige Rutger Hauer. Maar als je naar mij kijkt, staat er ineens een oud mannetje.’
Aan het woord is Erik Hazelhoff Roelfzema. De op Hawaii woonachtige Nederlandse oorlogsheld is bescheidener dan ooit. En dat terwijl hij al tijdens zijn leven een mythische status heeft verworven.
Als zoon van een rijke planter in het toenmalige Nederlands-Indië, waar hij in 1917 is geboren, komt Hazelhoff naar Nederland om in Leiden rechten te gaan studeren. Wanneer tijdens zijn studie de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, is dat een keerpunt in zijn leven. In februari 1941 stelt hij het Leidse Manifest op. In het vlugschrift hekelt hij het plan van de Duitsers voor het instellen van een zogeheten numerus clausus. Daarmee wil de bezetter Joodse studenten van de universiteit uitsluiten. De strijdlustige student belandt uiteindelijk in het Oranjehotel, de beruchte gevangenis. De hechtenis is echter van korte duur en hij komt snel vrij.
Nog datzelfde jaar rondt hij zijn rechtenstudie af en weet hij naar Engeland te ontkomen. Hij raakt betrokken bij de organisatie Contact Holland. Het doel is om geheime agenten over te zetten naar Nederlandse kust. Het levert Hazelhoff al in de oorlogsjaren de Willemsorde op, Nederlands hoogste onderscheiding. Uiteindelijk belandt hij bij de Royal Air Force (RAF). Met een tweemotorige Havilland Mosquito maakt hij 72 vluchten naar Duitsland. In het laatste oorlogsjaar wordt hij benoemd tot persoonlijk adjudant van koningin Wilhelmina. Hij is het dan ook die samen met de vorstin, na vijf lange jaren ballingschap, voet zet op Nederlandse bodem.

Jongensboek
Eind jaren zestig zet de Engelandvaarder zijn ervaringen op papier, uit geldnood, onder de titel Soldaat van Oranje. Het boek wordt een bestseller waarvan er meer dan een miljoen exemplaren over de toonbank gaan. Als in 1977 het boek wordt verfilmd onder dezelfde titel, met Rutger Hauer in de hoofdrol, wordt zijn naam definitief toegevoegd aan het rijtje allergrootste oorlogshelden.
En toch, Hazelhoff blijft er zo bescheiden onder: ‘Voor iedere vent die de Willemsorde krijgt, zijn er zeker tien die ‘m net zo goed verdienen. En honderd die hem verdiend zouden hebben, mochten ze de kans ertoe hebben gekregen. De enige reden waarom zij de onderscheiding niet hebben gekregen, is dat hun daden niet bekend zijn. Als je dus de gave hebt om over dingen te schrijven, heb je een geweldige voorsprong. ‘Ik ben de Soldaat van Oranje, níet om wat ik gedaan heb, maar om wat ik geschreven heb.’ Laatst vroeg een jonge kerel aan mij: “Hoe word je een oorlogsheld?” Ik zei tegen hem: “Leer goed schrijven”.’
Dat neemt niet weg dat Hazelhoff’s levensverhaal leest als een spannend jongensboek. ‘Ik heb de oorlog meegemaakt van verschillende kanten: ik heb de bezetting meegemaakt, in de gevangenis gezeten, daar levend uitgekomen, naar Engeland gegaan. Ik ken zeker twee, drie jongens, die net zoveel meegemaakt. Maar ze zijn te lui om dat op te schrijven. De twee beste vrienden uit mijn Leidse tijd, Peter Tazelaar en Chris Krediet, hadden verrekt mooie boeken kunnen schrijven. Maar het enige waar ze energie voor over hadden was om mij te bekritiseren. Krediet is zelfs nog met mijn zusje getrouwd geweest. Er lopen dus Kredietjes rond die volle neven van mij zijn. En Tazelaar, een fantastisch man, maar ook een fantast, die ging de hele tijd een boek schrijven. Heeft-ie nooit gedaan.’

Verzet
Hazelhoff vergeet nog een belangrijke vriend uit die tijd: Aad Robertson. Een studiegenoot die in het boek Soldaat van Oranje Alexander Rowerth wordt genoemd. Robertsons ouders waren al voor de oorlog lid van de NSB en werden direct na de Duitse invasie door de Nederlanders opgepakt. Ontredderd belde hij Hazelhoff op met de vraag of hij niet een paar dagen bij hem wilde blijven logeren. Hazelhoff weigerde, een beslissing waar hij meer dan zestig jaar later spijt van heeft. ‘We hebben hem op het kwalijkste moment in de steek gelaten. Die jongen zat in een geweldig lastig parket. We hebben hem aan zijn lot overgelaten. En toen is hij de andere kant opgegaan.’ Robertson maakte uiteindelijk carrière aan de andere kant van de strijdende partijen, bij de SS. ‘Maar hij was zo’n jongen die best in de RAF had kunnen zitten.’
Zulke beslissingen moeten in de chaotische dagen van die tijd worden gezien, betoogt Hazelhoff: ‘Je moet je ook kunnen verplaatsen in de situatie. Als op 9 mei 1940 een Duitse toerist in een ijskoude gracht was gevallen, was ik ‘m achterna gesprongen om hem eruit te halen. Geheid. Een dag later, op 10 mei had ik ‘m gewoon laten verdrinken. Wat zeg ik? Hem er waarschijnlijk zelf in gedouwd! Die kerels waren hier binnengekomen terwijl we ze echt niet hadden uitgenodigd. Ze moesten eruit, daar deed je alles voor, omdat je van Nederland hield.’
Hazelhoff krijgt de vraag vaak genoeg gesteld: waarom hij binnen no time voor het verzet koos. ‘In de bezetting was het zo: je deed wat de Duitsers je opdroegen. Totdat je het niet meer pikte. Dan ging je in het verzet. Dan was de maat vol. Bij sommige mensen was die maat heel groot en vulde zich nooit. Bij mij was de maat heel klein en was al gevuld op het moment dat de eerste Duitser zijn poot over de grens zette. Ik heb het nooit iemand kwalijk genomen als hij niets in het verzet deed. Ik heb het wél kwalijk genomen als landgenoten samen met de Duitsers ons te lijf gingen, mensen verraadden en doodschoten.’

Jacht
Na de oorlog maakte Hazelhoff nog tal van verwikkelingen mee, vertelt hij. Een curieuze loop in de geschiedenis is het voorbeeld van Joseph Schreieder. Dat was de man die als hoofd van de SD in 1941 en 1942 verwoede jacht maakt op Hazelhoff. Jaren later, eind jaren vijftig, is Hazelhoff directeur van Radio Free Europe, een nieuwszender die het communistische Oost-Europa van ongecensureerd nieuws voorzag. Dezelfde Schreieder bleek bij deze zender zijn naaste collega te worden. Jarenlang werkten ze nauw samen, zonder problemen.
‘Die vent had in de oorlog zijn job gedaan en ik had mijn job gedaan. Toen wij na de oorlog bij elkaar kwamen om samen te werken, ging dat best. We werden geen boezemvriendjes, maar we werkten verrot goed samen. Ik weet nog goed wat hij zei toen ik hem voor het eerst tegenkwam. Dat moet ergens eind jaren vijftig geweest zijn. Hij zei: “Heer Hazelhoff, eindelijk ontmoeten wij elkaar. Toen heb ik gezegd: “Kerel, ik ben blij dat het niet vijftien jaar eerder is”.’