IN MEMORIAM - MARE 5, 26 september 2002

In memoriam dr. C.J. van Houten

Op 24 augustus 2002 overleed dr. Cornelis Johannes van Houten, emeritus wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de Leidse Sterrewacht, op 82 jarige leeftijd.
Met slechts een onderbreking van ruim 2 jaar (januari 1954 maart 1956) die hij aan de Yerkes Observatory (Universiteit van Chicago) doorbracht als "research assistent", was hij verbonden aan onze Sterrewacht.
Geboren in Den Haag in 1920, doorliep hij er het Gymnasium Haganum en behaalde in 1940 het diploma (). Tijdens de oorlog schreef hij zich in aan de universiteiten van Leiden en Amsterdam, maar van studeren kwam begrijpelijkerwijs weinig terecht. In 1946 hervatte hij de studie in Leiden en behaalde de doctoraalbul in juni 1952. Intussen was hij al een jaar wetenschappelijk assistent. Hij doorliep de gebruikelijke rangen en werd hoofdmedewerker in oktober 1968. Kort na het afstuderen begon hij op instigatie van Jan Oort aan een promotie onderzoek over de oppervlaktehelderheid van extragalactische sterrenstelsels. Zo zou men iets leren over hun evolutie, de verdeling van jonge en oude sterren en de invloed op die resultaten door de verstrooiings en absorptie eigenschappen van het interstellaire stof. Het laatste bleek, geheel tegen de heersende opvatting, verwaarloosbaar te zijn. Een artikel over de rotatiekromme van het melkwegstelsel NGC 3115 van Oort, Minkowski en Van Houten werd ondanks dat het tot publicatie nooit kwam, vele malen geciteerd omdat het als preprint wereldwijd circuleerde.
Kees promoveerde in juni 1961 op het proefschrift getiteld: 'Surface photometry of extragalactic nebulae'. Dit was echter niet zijn enige veld van onderzoek tijdens de aanloop naar de promotie. Het eerder genoemde verblijf in de V.S. zou niet alleen blijvende invloed hebben op zijn persoonlijke leven, maar ook op zijn wetenschappelijk werk: hij leerde er zijn toekomstige echtgenote kennen, Ingrid Groeneveld, die ook sterrenkundige was. Samen bleven zij levenslang geboeid door de objecten in de planetoïdengordel tussen Mars en Jupiter. Een goede vriend en collega van de Van Houtens, Tom Gehrels, herinnert zich nog dat het de staf van de Yerkes sterrenwacht niet was ontgaan dat Kees een oogje had op Ingrid.
Er waren echter twee barrières: er was een mededinger en Kees was verlegen. Men vond Kees echter de beste kandidaat en met enige listigheid werden beiden op waarneemreis gestuurd. Drie weken later kwamen zij als verloofden terug. Kees en Ingrid werkten toen samen met o.a. Gehrels, aan een door Gerard Kuiper begonnen onderzoek naar de statistische eigenschappen van planetoïden. Voor beide echtelieden werd het een levenswerk. De basis werd gevormd door drie grote fotografische surveys (o.a. de PalomarLeiden survey) die duizenden platen opleverden. Het doel was om duizenden planetoïden op te sporen en hun banen te bepalen. Uit hun statistische en fysische eigenschappen bleek het bestaan van afzonderlijke "families" van planetoïden die informatie geven hoe de botsingsfragmentatie in de loop van de tijd heeft plaatsgehad. Ook leren zij ons iets over de ontstaansgeschiedenis van het zonnestelsel. Tientallen jaren van uiterst zorgvuldig "blinken" (de techniek om snel bewegende hemellichamen op de platen te ontdekken) en uitmeten, werden afgewisseld met fundamenteel statistisch onderzoek dat Kees van de grond af aan en nagenoeg alleen heeft moeten opbouwen. Hun techniek wordt in moderne surveys nog steeds gebruikt. De volledigheid van de identificaties en de betrouwbaarheid van het analyseren blijken vaak beter te zijn dan de modernere elektronische methoden. De resultaten werden beschreven in een aantal artikelen, het laatste in 1991.
De Van Houtens vernoemden veel door hun ontdekte planetoïden naar Nederlandse beroeps en amateur astronomen, maar alleen als de banen goed bekend waren. In 1981 publiceerde Kees een artikel over een oude liefde van hem: een verklaring voor de gecompliceerde licht en radiële snelheidskrommen van nauwe dubbelsterren. Hij had al in 1967, tijdens een colloquium op de Sterrewacht over zijn, voor die tijd zeer revolutionair model verteld. Volgens zijn analyse wordt door een hoge rotatie snelheid de primaire ster sterk afgeplat, waardoor makkelijk gasstromen uit de twee getijdebulten kunnen ontstaan. Dit stelsel van sterke gasstromen keert na een kwart steromtrek weer op het oppervlak terug. Een accretieschijf omringt de primaire ster binnen de Roche lobbe, terwijl de secundaire ster zijn eigen Roche lobbe vult. Het bestaan van accretieschijven werd pas in 1968 steeds meer als bewijs aangevoerd, voor verschillende exotische, vaak hoog energetische verschijnselen in dubbelsterren. Thans staat hun bestaan niet meer ter discussie.
Toen Kees in maart 1985 de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, werd er een geslaagd internationaal colloquium over planetoïden gehouden met prominente sprekers uit Tuscon, Harvard en eigen land. Hij was daar zichtbaar erg verguld mee. Maar van echt afscheid nemen wilde hij niet weten. Kees zei dat hij nog zeker voor drie jaar werk had, het werden er 16. In 1999 tot en met 2001 verschenen nog zeven publicaties, van een paar was hij de enige auteur, met de zorgvuldige analyses van fotometrische waarnemingen, verzameld tijdens drie waarneemreizen naar het voormalig Leids Zuidelijk Station in ZuidAfrika. De objecten betroffen planetoïden, eclipserende dubbelsterren en jonge, hete sterren. Meer dan wie ook vertoefde hij graag in de bibliotheek om de pas binnengekomen tijdschrijften en boeken van a tot z door te nemen. Als jarenlange secretaris/penningmeester van het Leids Sterrewacht Fonds en het Leids Kerkhoven Bosscha Fonds viel hij op door zijn misschien wat ouderwetse manier van boekhouden: alles met de hand geschreven in grote tabellen, maar uiterst zorgvuldig.
Velen zullen zich hem herinneren als een bescheiden, zachtaardige man, die zich tijdens vergaderingen op de achtergrond hield, die ruim de tijd nam als je met vragen bij hem binnen stapte en kwistig was met kleine woordspelingen en grapjes en die het anno 2001 normaal vond om nog de rekenlineaal te gebruiken.

Wij leven mee met Ingrid, hun zoon Karel en zijn gezin.

A.M. van Genderen