Dit was Minair. Hier is de stad oud, echt en onberekenbaar. Er wordt beweerd dat dit haar wortels zijn, dat in de oudste tijden, toen er voortdurend gevaar loerde over de zee vanuit Abonk, Ribon en Wagaland, op deze heuvels een stad is gesticht. Anderen spreken dit tegen en lokaliseren de oorsprong van de stad beneden, rond het Fredoplein en Plein 1818, waar onder de huizen aan het Rivelath daadwerkelijk fundamenten zijn gevonden van vroeg-middeleeuwse structuren. De sommigen betwisten de authenticiteit van deze vondsten geenszins, maar houden vol dat de bodemgesteldheid ons beeld vertekent. De rotsige ondergrond van Minair, die hier en daar midden tussen de bebouwing schaamteloos aan de oppervlakte treedt in de vorm van een surrealistische steenformatie, bemoeilijkt volgens hun theorie het vinden van nog oudere fundamenten, omdat men op een dergelijke ondergrond bij herbouw geen behoefte heeft om gebruik te maken van bestaande fundering: men bouwt wederom direct op de rots, wat als voordeel heeft dat alle oude stenen beschikbaar zijn voor diverse vormen van hergebruik. En als iets niet gevonden kan worden, sluit dat nog niet uit, volgens de theorie van de sommigen, dat het er is.
Ik ken deze buurt te slecht om dit dispuut te beslechten. Maar het fijnmazige netwerk van kromme steegjes met nog bochtigere zijsteegjes maakte, althans op zondagavond dertien april, een erg authentieke indruk op mij. Ook dat wordt door sommigen gezegd: dat de stegen van Minair na zonsondergang voortdurend van vorm veranderen, waardoor een straat die eerst nog uitkwam op de Flehrmannboulevard nu opeens blijkt te voeren naar een smalle driesprong waar alle wegen naar boven voeren. Sommigen van deze laatste sommigen fluisteren het verhaal van Krisha, de hond die in de tijd van Fredo de zevende achter een tak aanrende die werd weggegooid en tot op de dag van vandaag ronddoolt door de stegen op zoek naar de tak of zijn baasje. Zij zou in de loop der eeuwen zo mager zijn geworden dat zij hoger blaft dan een mensenoor kan horen.
'Zij woont nu ergens in Minair,' had de allervriendelijkste oudere heer van de Manorastraat gezegd, 'als ik het tenminste goed heb onthouden, maar het precieze adres heb ik niet, tot mijn spijt.' Het was een bizar plan om haar in deze wirwar van stegen te zoeken. Maar ik kon niet anders. Ik wist zeker dat ik haar zou vinden, zolang ik niet nadacht over deze zekerheid die door alle feiten schaterend werd weerlegd. Ik had niet eens een plan, maar dat deerde mij niet. Ik zou haar vinden. Want zo is het gesteld met de kunst van het hopen. Mensen beweren altijd wel dat hoop belangrijk is, dat je haar niet mag verliezen en dat je niets bereikt zonder haar, maar zij beseffen niet dat hoop niets baat. Wat je nodig hebt is vertrouwen dat stevig is als de rotsbodem van Minair. De ware vorm van hopen is niet te hopen, maar zeker te zijn. Het is zoals met de dodelijke Japanse krijgskunst die ik mij heb eigen gemaakt. Wie ongewapend door drie ronin met getrokken zwaarden wordt aangevallen, zal niet overleven als hij denkt 'nou, ik hoop dat ik dit overleef.' Zijn enige garantie op overleven is zijn zekerheid dat hij zal overleven. Die zekerheid is niet gestoeld op de feiten, noch op zijn training van technieken, maar op het feit dat hij zich heeft getraind om zeker te zijn. Het is het principe van ichi go ichi e, 'ŽŽn ontmoeting, één leven.' Een redenaar, die zonder houvast van papier begint aan een betoog waar zijn leven van afhangt, spreekt zijn eerste woorden niet in de hoop dat hij erin zal slagen zich de route langs de gebeurtenissen en argumenten te herinneren, maar in de zekerheid dat hij zijn stappen zal kunnen traceren. Wie zich voor het tribunaal verdedigt tegen een aanklacht, zal schuldig bevonden worden wanneer hij de indruk wekt dat hij hoopt op vrijspraak. Zijn enige wapen is zijn zekerheid over zijn onschuld. Hoop is als verlangen, dat week maakt. Zekerheid glanst met de heldere kracht van herinnering. Je moet niet verlangen, maar het gerealiseerde verlangen scherp als een herinnering voor ogen zien. En zo zag ik Mira voor ogen, zoals ik mij haar herinnerde in Minair waar ik nog nooit was geweest. Ik zou haar vinden. En als ik haar niet zou vinden, zou dat komen doordat ik niet zeker genoeg had geweten dat ik haar zou vinden.
Waar ik haar precies zou vinden wist ik niet, maar ik wist ook niet waar ik was, dus dat kwam goed uit. Het was donker. De meeste stegen in Minair zijn slecht verlicht. Er was nauwelijks volk op straat. Ik liep een willekeurige steeg in en probeerde Mira te ruiken. Wanneer het stratenplan geen planning vertoont en wanneer de straten elk kwartier van positie wisselen, is willekeur de beste strategie. Achter elk onverlicht raam kon zij liggen, maar ik wist dat het niet zo was en ik wist dat ik het wel zou weten wanneer het wel zo was. Ik versnelde mijn pas. Ik begon te denken in korte zinnen. Ik werd helemaal zintuig. Flarden muziek. Iemand speelde ergens accordeon. Mira houdt niet van accordeon. Ik sloeg af. De steeg draaide in een scherpe bocht naar rechts en splitste zich daar in twee nog smallere stegen. Ik koos de linker. Na tien meter liep het straatje uit op een trap. Ik ging naar boven en kwam uit op een pleintje waar auto's stonden geparkeerd. Die moesten hier ter plekke zijn geassembleerd want deze plek leek mij onbereikbaar voor verkeer. Ik rook een scherpe, ouderwetse geur die ik ook in Griekenland had geroken en ook daar niet kon thuisbrengen. Iets van kamfer of mottenballen. Het werkte als smaakversterker van mijn herinnering. Ik zag Mira haarscherp voor mij, naakt als een standbeeld van Mnemosyne en ik kon haar rondingen ruiken. Zij was niet ver. Zij was ergens in deze stegen die zich om elkaar heen krulden als haar rode haar wanneer zij net was opgestaan en thee zette terwijl haar bed nog warm was. Ik was op de goede weg, dat kon niet anders zijn, dat moest wel, dat mocht niet anders zijn.
Ik sloeg een steeg in die in een flauwe helling naar beneden voerde en ik dacht haar nog harder voor ogen. Want Minair herschikte ledematen zoals zij zich omdraaide in haar slaap. Als de stad hier ondoorgrondelijk was als een levend wezen, moest ik haar als een vrouw betasten. Ik moest Mira's lichaam gebruiken als stadsplattegrond. Dan zou ik haar vinden. En ik moest haar vinden. Deze steeg boog zich volgens de zachte ronding van haar kuit. Ik liep omhoog langs het moszachte plekje vlak onder haar knieholte. Hier was een trap omhoog. Dit moest haar knie zijn. Boven waren vier straten. Welke was haar bovenbeen? Hoe lag zij? Rechtsaf kon niet goed zijn. Het kniegewricht staat niet toe je been die kant op te buigen. Rechtdoor is ook niet waarschijnlijk. Mira ligt nooit met gestrekte benen. Zij buigt zich alsof ze zelf plezier beleeft aan haar soepele, buigzame lijfje. Maar hoe hoog heeft ze haar knie opgetrokken? Moet ik scherp naar links of ligt haar been als een notenhouten zweepslagsculptuur over de lakens die alwetend zijn als vermoeide spiegels? Het is laat. Ze is niet opgerold als een egel, ze ligt op dit uur languit open en beschikbaar. Ik kies de flauwe bocht naar links en het is goed. De steeg verbreedt zich tot haar hoge dij die ik zo vaak heb gestreeld met mijn ogen en waarvan ik met mijn handen uit haar eigen zachte vlees zo vaak een adembenemende sculptuur heb gekneed. Hier zou ik kunnen blijven om haar te aanbidden, maar ik moet verder naar de donkergroene roofdieren die haar ogen waren en daar zal ik haar vinden.
De steeg daalt af tot in haar lies. Maar er klopt iets niet. Er is hier geen vlakte van zachte siddering. Er is geen zacht, geheim woud dat ruist als de pels van een offerdier voor Artemis en dat zingt van verlangen dat een zee is om in te verdrinken. Er zijn hier alleen trappen omhoog. Ik ben verdwaald. Maar ik heb geen keuze. Ik beklim de steile, hoge trappen en kom uit op een stil, verlaten plein dat opbolt uit de stad als een heuvel. Nee, ik ben niet verdwaald. Ik herken deze ronding. Dit zijn haar billen die ik zo vaak heb beklommen met hijgende handen. Ze heeft zich omgedraaid. Ze ligt op haar buik. Ik steek het plein over en daal af in haar onderrug, waar ze kleine pluisjes haar heeft die onzichtbaar zijn als de herinnering aan een zomerbries. En ze kreunt als ik haar daar streel en ze krult zich naar mij toe. Ik loop door een lange smalle steeg over haar linker zij. Ik hoor iemand lachen achter gesloten luiken. Ik ga goed. Dit is de juiste steeg. Mira kan niet tegen kietelen. De steeg loopt schuin omhoog in de richting van haar oksel. Hier zou ik van de stad willen vallen. Hier zou ik linksaf willen tuimelen en mij verliezen aan haar borsten en ik wou dat ik wist hoe ik moest huilen en zij zou mij vasthouden als warme deken en ze zou zeggen 'stil maar, het is goed' en ik zou haar roerloos beminnen tot zonsopgang. Mira, mijn mierzoet zinderende Mira, mijn marteling en messteek, lijm van mijn lippen, sap van mijn blauwende weemoed, zee van mijn zweefduik, zout van mijn loeiende wonden, wacht op mij en laat je door mij vinden. Houd mij vast met de vijf vingers van jouw hand. Ik wil dat wij weer wij zijn want het was en het was goed. Ik wil alles wat is negeren behalve jou. Ik wil ontkennen dat dingen gebeurd zijn. Ik wil jou zijn en heel zijn en zon zijn. Ik kan onze stad niet lezen zonder de donkergroene zon van jouw ogen. Kijk mij aan en zie hoe ik jou zoek in alle straten van de stad, in alle gesprekken tussen de spiegels van jouw twinkelend ingerichte lievelingslokaal, in de rondingen van iedereen die ik achtervolg en zie dat ik mij zonder jou zo mager voel dat ik hoger jank dan een mensenoor kan horen. Wacht op mij. Ik ren zo snel ik kan over je hals, waarnaar ik honger als een sneeuwetende leeuw, over je wang, waarin ik wil verzinken als in koele, satijnen kussens, lang je neus, die een klassieke sculptuur is waarvoor pelgrims dagenlang reizen, naar je ogen, je donkergroene ogen door wie ik mij gezien moet weten om te kunnen zien en ademen. Wacht op mij. Ik kom je vinden.
Maar dit is haar hals niet. De steeg leek al te lang en te smal na de poort van haar oksel. En bovendien loopt hij schuin omhoog. En hier wordt de straat nog smaller en vertoont een knik naar rechts als een elleboog. Er klopt iets niet. Ik had al lang bij haar wang moeten zijn. En haar hals heeft geen knik. Ik loop verder. De steeg wordt weer iets breder, maar nog altijd niet breed genoeg. De oude huizen aan weerszijden van de straat sluiten mij in en staren mij aan met doffe, donkere ogen. In de verte klinkt geblaf van een hond. Verderop versmalt de steeg weer. Hier is de weg smaller dan alles wat ik tot nu toe heb gezien. De stad omknelt mij als handboeien om een pols. Ik wurm mij door de steeg en kom op een klein pleintje. Het is een zessprong. Achter mij de weg waar ik vandaan kom en voor mij strekken zich vijf zeer smalle steegjes uit als de vingers van een hand. Ik heb geen idee waar ik ben. Ik ben verdwaald in haar lijf. Ik kies de meest rechtse van de vijf steegjes, omdat die relatief het minst smal is. Het steegje is kort. Ik kom uit op een plek die ik niet herken. Ik ruik haar niet meer. Ik ben haar kwijt. Ik ben ergens in Minair en opeens zie ik mijzelf staan. Ik herken hier niets. Ik ben zo verdwaald dat ik mijzelf niet eens zou herkennen. Ik overweeg terug te lopen naar de plek waar alles nog goed leek, maar dat kan niet meer. Zij heeft haar hand van mij afgetrokken. Mira, waar ben je? Ik ben de laatste overlevende in een verlaten stad en ik probeer haar naam te schreeuwen, maar mijn stem klinkt hoger dan een mensenoor kan horen.
Dit is een hoofdstuk uit de roman Rupert van Ilja Leonard Pfeijffer die in maart 2002 zal verschijnen bij De Arbeiderspers.