Van Dis Pagina’s 43-44:
Lanzhou is zo saai als zijn kleur, bruin, en alle gebouwen lijken op hompen koek. De stad ligt aan de bovenloop van de Gele Rivier, die ook bruin is. Lanzhou is een toonbeeld van hedendaagse Chinese architectuur, blokkendozen zonder variatie. Zo elegant als het schrift is, zo eentonig is de bouwkunst in dit land. Alles heeft dezelfde vorm, fabriek, kantoor, flatgebouw, park, prullenbak, zelfs de lantaarnpaal is vierkant. Er is geen verschil tussen een wijk in Peking, Xi'an, of Lanzhou, eendere winkels, eendere straten; klimaat- en cultuurverschillen komen er niet tot uiting. Het is allemaal ontworpen op dezelfde staatstekentafel door architecten met verstijfde armen en het wereldbeeld van een cipier.
Uit de trein zie je dat op het platteland de huizen van streek tot streek veranderen, dat het weer en het landschap invloed hebben op het materiaal, op de grootte van de binnenplaats, de versiering van de dakrand, het motief op de muren. Maar in de steden ontbreekt deze harmonie met de natuur. Fietsen door Lanzhou (op het museum na niet veel te zien) is verwarrend omdat je voortdurend het gevoel hebt dat je er al eerder bent geweest. In welke stad je ook komt, de straten hebben gelijkluidende namen. Overal is een Oost-Weststraat, de warenhuizen, drogisten en boekwinkels dragen allemaal dezelfde naam en in elke stad is het Sun Yat Sen Park eender aangelegd. Alleen in de oude gedeelten van de steden is de smaak minder monotoon, daar mag een laan nog krommen, is excentriciteit geen misdaad. In de na de bevrijding gebouwde buurten lijkt het wel of er een straf staat op buitenissigheid. Ook de kleding is van uniforme snit en kleur. Het maakt het leven hier zo grauw. Mijn oog verlangt naar regenboog. Er zijn wel steden met iets eigens, al is het schaars: de stadsmuur in Xian, de buitenlandse concessie in Shanghai, de tuinen van Suzhou, de door een dak van boomtakken afgedekte hutongs in Peking, verzachten de liefdeloze voorspelbaarheid van de hoofdstraten. Maar in Lanzhou is alles koekoek één zang.
|
Seth Pagina’s 36-37:
Lanzhou is a brown-earthed dreary city stretched out along the upper course of the Yellow River. […]
But Lanzhou merely embodies more completely what is present to a greater or lesser degree in all Chinese cities: a stupefying architectural sameness, based on a stupefying ugly set of models. Street of standard shop-cuboid follows street of standard shop-cuboid. There is no basic variation in the design of workers’ flats, government offices, parks, bookstores or even streetlamps. The difference in street architecture between, say, Beijing and Guangzhou (Canton) is far less marked than the difference in climate would lead one to expect. In the countryside, as one passes by train from province tot province, sometimes even from county tot county, the houses change: the building materials, the shape of the doorways, the eaves of the roofs, the style of the walls and courtyards, the number of windows, everything changes along with climate and terrain.
But this harmony with nature is absent in the stodgy and conformist architecture of the cities. (Even the names of streets repeat themselves from city to city; the bookstores all have the same name and there is invariably a Sun Yat Sen Park to visit.) However, the older parts of the cities, the lanes and alleys, are their one saving grace: here the style varies both among and within cities, as concessions are made to climate and individual taste.
Almost all modern construction is undertaken by the government: it requires much less thought and expense if the same designs can be implemented everywhere. To be innovative or individual or eccentric is to risk criticism.
Nor is it just in architecture that this monotony makes itself felt. The clothes people wear are similar in style and colour (deep blue, and greens and greys). There is little contrast or brightness to meet the eye as one looks down the street.
|