Zeeuwse kapers deden tijdens de Negenjarige Oorlog met Frankrijk (1688-1697) alles om zoveel mogelijk buit bij elkaar te kunnen kapen. Zo lieten ze Franse krijgsgevangen het liefst zo snel mogelijk vrij. Wie moesten anders de te stelen schepen bemannen?
Bart Funnekotter
De Zonnekoning Lodewijk XIV mag in Frankrijk dan hele mooie
paleizen hebben gebouwd, in de Republiek de Nederlanden hadden ze het
indertijd niet zo op deze Franse absolutistische vorst. Alsmaar
oplopende animositeit leidde in 1688 tot het uitbreken van de (zo zou
later blijken) Negenjarige Oorlog. Nederland trok samen met Engeland
op tegen de Fransen in deze oorlog. De Nederlandse stadhouder Willem
III was na de Glorious Revolution namelijk koning van Engeland
geworden.
In zijn proefschrift 'Utiliteyt voor de gemeene saake: de Zeeuwse
commissievaart en haar achterban tijdens de Negenjarige Oorlog,
1688-1697' onderzoekt historicus Johan Francke de rol die Zeeuwse
kapers speelden in de gevechtshandelingen. Francke stelt dat het
succes van de Nederlandse en Engelse kapers een belangrijker factor
was in het winnen van de oorlog, dan de grote zeeslagen bij Beachy
Head en La Hogue.
In zijn dissertatie neemt Francke de Zeeuwse kaapvaart uitgebreid
onder de loep, hoewel hij wel duidelijk de nadruk legt op de
financieel-economische aspecten van hun handelen. Hij signaleert
daarbij dat het belang van de staat niet altijd het belang van de
kapers was. De staat wilde graag dat er zoveel mogelijk schepen van
de vijand vernietigd werden, terwijl de kapers zich lieten leiden
door winstbejag.
Een kapersschip was eigendom van ongeveer vijftien aandeelhouders
en die wilden natuurlijk wel winst op hun investeringen zien. Bekende
grootaandeelhouders waren de gebroeders Sautijn, met aandelen in
tenminste negentien schepen. Het was verstandig om je kapitaal over
meerdere schepen te verspreiden omdat mensen die een groot aandeel in
één schip hadden, met de ondergang van dat schip ook meteen al hun
geld kwijt waren.
De bemanning van de schepen bestond voor het grootste deel uit
Zeeuwen. Zestig procent kwam uit de 'thuisprovincie'. Van dit deel
kwam weer tweederde uit Vlissingen. De kapers hadden meestal weinig
moeite om hun boten bemand te krijgen aangezien zij veel beter
betaalden dan bijvoorbeeld de marine. Daar verdiende een matroos
maximaal achttien gulden, terwijl bij een kaper wel vijfentwintig
gulden per maand kon worden verdiend.
Topjaren
Succesvolle kaperkapiteins waren Gerrit Hendrix (58 schepen
buitgemaakt), Hendrik Hendrix (41) en Geleyn Ockerman (36). Deze en
andere kapiteins maakten gebruik van een heel arsenaal van listen, zo
vertelt Francke. Er werd bijvoorbeeld onder valse vlag gevaren of er
werden spionnen aan boord van vijandelijke handelsschepen geplaatst.
Gerommel met valse vlaggen leidde echter soms tot pijnlijke
misverstanden als Zeeuwse kapers elkaar achterna zaten.
De drang naar winst ging bij de Zeeuwse kaperreders en
bestuurders (die vaak dezelfde personen waren) zelfs zo ver dat
Franse krijgsgevangen genomen matrozen zo snel mogelijk weer werden
vrijgelaten. Wie moest anders de te stelen schepen bemannen?
Uiteindelijk zouden de jaren 1689-1693 de topjaren voor de
Zeeuwse kaapvaart blijken te zijn. In totaal werd er met de kaapvaart
toen ruim dertien miljoen gulden verdiend aan de 960 'prijzen' de
veroverd werden. Aangezien het totale aantal door de republiek
gekaapte schepen 1019 bedroeg, kan gerust gesteld worden dat de
Zeeuwse kapers een beslissende rol hebben gespeeld in het winnen van
de oorlog tegen de Franse economie.
Johan Francke: Utiliteyt voor de gemeene saake: de
Zeeuwse commissievaart en haar achterban tijdens de Negenjarige
Oorlog, 1688-1697. Promotie was op 12 september.