SCIENCE FACTION - MARE 6, 4 oktober 2001

Zeeuwse kapers deden Fransen de das om

Zeeuwse kapers deden tijdens de Negenjarige Oorlog met Frankrijk (1688-1697) alles om zoveel mogelijk buit bij elkaar te kunnen kapen. Zo lieten ze Franse krijgsgevangen het liefst zo snel mogelijk vrij. Wie moesten anders de te stelen schepen bemannen?

Bart Funnekotter

De Zonnekoning Lodewijk XIV mag in Frankrijk dan hele mooie paleizen hebben gebouwd, in de Republiek de Nederlanden hadden ze het indertijd niet zo op deze Franse absolutistische vorst. Alsmaar oplopende animositeit leidde in 1688 tot het uitbreken van de (zo zou later blijken) Negenjarige Oorlog. Nederland trok samen met Engeland op tegen de Fransen in deze oorlog. De Nederlandse stadhouder Willem III was na de Glorious Revolution namelijk koning van Engeland geworden.
In zijn proefschrift 'Utiliteyt voor de gemeene saake: de Zeeuwse commissievaart en haar achterban tijdens de Negenjarige Oorlog, 1688-1697' onderzoekt historicus Johan Francke de rol die Zeeuwse kapers speelden in de gevechtshandelingen. Francke stelt dat het succes van de Nederlandse en Engelse kapers een belangrijker factor was in het winnen van de oorlog, dan de grote zeeslagen bij Beachy Head en La Hogue.
In zijn dissertatie neemt Francke de Zeeuwse kaapvaart uitgebreid onder de loep, hoewel hij wel duidelijk de nadruk legt op de financieel-economische aspecten van hun handelen. Hij signaleert daarbij dat het belang van de staat niet altijd het belang van de kapers was. De staat wilde graag dat er zoveel mogelijk schepen van de vijand vernietigd werden, terwijl de kapers zich lieten leiden door winstbejag.
Een kapersschip was eigendom van ongeveer vijftien aandeelhouders en die wilden natuurlijk wel winst op hun investeringen zien. Bekende grootaandeelhouders waren de gebroeders Sautijn, met aandelen in tenminste negentien schepen. Het was verstandig om je kapitaal over meerdere schepen te verspreiden omdat mensen die een groot aandeel in één schip hadden, met de ondergang van dat schip ook meteen al hun geld kwijt waren.
De bemanning van de schepen bestond voor het grootste deel uit Zeeuwen. Zestig procent kwam uit de 'thuisprovincie'. Van dit deel kwam weer tweederde uit Vlissingen. De kapers hadden meestal weinig moeite om hun boten bemand te krijgen aangezien zij veel beter betaalden dan bijvoorbeeld de marine. Daar verdiende een matroos maximaal achttien gulden, terwijl bij een kaper wel vijfentwintig gulden per maand kon worden verdiend.

Topjaren
Succesvolle kaperkapiteins waren Gerrit Hendrix (58 schepen buitgemaakt), Hendrik Hendrix (41) en Geleyn Ockerman (36). Deze en andere kapiteins maakten gebruik van een heel arsenaal van listen, zo vertelt Francke. Er werd bijvoorbeeld onder valse vlag gevaren of er werden spionnen aan boord van vijandelijke handelsschepen geplaatst. Gerommel met valse vlaggen leidde echter soms tot pijnlijke misverstanden als Zeeuwse kapers elkaar achterna zaten.
De drang naar winst ging bij de Zeeuwse kaperreders en bestuurders (die vaak dezelfde personen waren) zelfs zo ver dat Franse krijgsgevangen genomen matrozen zo snel mogelijk weer werden vrijgelaten. Wie moest anders de te stelen schepen bemannen?
Uiteindelijk zouden de jaren 1689-1693 de topjaren voor de Zeeuwse kaapvaart blijken te zijn. In totaal werd er met de kaapvaart toen ruim dertien miljoen gulden verdiend aan de 960 'prijzen' de veroverd werden. Aangezien het totale aantal door de republiek gekaapte schepen 1019 bedroeg, kan gerust gesteld worden dat de Zeeuwse kapers een beslissende rol hebben gespeeld in het winnen van de oorlog tegen de Franse economie.

Johan Francke: Utiliteyt voor de gemeene saake: de Zeeuwse commissievaart en haar achterban tijdens de Negenjarige Oorlog, 1688-1697. Promotie was op 12 september.