IN MEMORIAM - MARE 4, 2001

Prof.dr. J.F. Holleman

(1915-2001)

Op 28 augustus overleed Johan Frederik Holleman (85), een rechtsantropoloog die veel onderzoek deed in Afrika en twintig boeken publiceerde, waaronder vijf romans en verhalenbundels. Hij was hoogleraar in Leiden van 1963 tot 1979 en zette het interdisciplinaire onderzoek van Afrika op in Nederland.
Geboren op Java als zoon van de jurist en etnoloog F.D. Holleman (1887-1958) leek hij voorbestemd in diens voetpaden te treden. Maar anders dan zijn vader, die specialist was in het adatrecht van IndonesiŽ en de Filippijnen, richtte hij zich vooral op de rechtsantropologie van zuidelijk Afrika. Na zijn jeugd in Nederlands-IndiŽ studeerde hij sinds 1935 rechten en volkenkunde aan de Universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika (BA 1937, MA 1938). Tijdens en na zijn studie deed hij onderzoek naar rechtsgemeenschappen en grondenrecht bij de Zoeloe. Hij verbleef tien maanden in de Zoeloe-kralen, fotografeerde het dagelijks leven en schreef zijn eerste romans en korte verhalen. In 1940 verkreeg hij het Zuid-Afrikaanse staatsburgerschap en tot 1945 werkte hij in overheidsdienst te Riversdal, waar hij trouwde met Marie Sem. Via zijn latere promotor Isaac Schapera kreeg hij het aanbod om als Beit Research Fellow te worden verbonden aan het befaamde Rhodes-Livingstone Institute in Lusaka, Noord-RhodesiŽ (nu Zambia). Tot 1952 deed hij onderzoek naar gewoonterecht onder de Mashona in Zuid-RhodesiŽ (nu Zimbabwe), waarop hij in 1950 promoveerde aan de Universiteit van Kaapstad. Het boek verscheen als Shona Customary Law (1952), een belangrijke bijdrage tot de sociale antropologie van Zimbabwe. Deze periode werd boeiend beschreven in African Interlude (1958).
Na kort als conservator te hebben gewerkt in Salisbury kreeg hij een bestuursfunctie in het Department of Native Affairs te Bulawayo en Wedza (Zuid-RhodesiŽ). Holleman voerde onderzoek uit naar de Bantoe-verstedelijking aldaar en deed voorstellen ter verbetering van de rechtspositie der trekarbeiders. Deze toegepaste baan kreeg een vervolg toen hij directeur werd van het Institute for Social Research in Durban, Zuid-Afrika (1957-1962). In deze tijd had hij de leiding over een sociaal-psychologisch onderzoek naar de blanke samenleving in Noord-RhodesiŽ en een sociaal-economische studie van de opname der inheemse bevolking in Swaziland. In 1960-61 was hij op uitnodiging van de regering van Zuid-RhodesiŽ lid van de Mangwende Commissie voor beleidsonderzoek naar administratieve en agrarische problemen in het Mrewa-gebied, waarover hij een opzienbarend rapport schreef. Uit het onderzoek bleek dat veel conflicten op culturele misverstanden berustten. Het rapport van 1961 leidde tot nieuwe wetgeving waarbij ambtenaren cursussen in etnologie en bestuur kregen. 'Maar toen was het al te laat' en begon de ontwikkeling die leidde tot de uitroeping van Zambia en later Zimbabwe. Hij beschreef deze problemen in Chief, Council and Commissioner (1969).
Hoewel Holleman in Zuid-Afrika wilde blijven, bereikte hem een uitnodiging uit Nederland om een nieuwe leerstoel op het gebied van de sociologie en cultuurkunde van Afrika te bezetten. Na enige aarzeling nam hij die aan en begon in 1963 een nieuwe carriŤre in Leiden. De eerste zes jaar was hij hoogleraar bij het Instituut voor Culturele Antropologie en Sociologie der Niet-Westerse Volken (ICA) en tevens directeur van het Afrika-Studiecentrum (ASC). Aan het reeds bestaande documentatiebureau van het ASC voegde hij een onderzoeksinstelling toe. De foto toont hem in deze tijd als hoogleraar te Leiden, in doctorstoga van de Universiteit van Kaapstad.
In 1969 werd hij benoemd op de leerstoel Volksrecht en rechtsontwikkeling in niet-westerse samenlevingen te Leiden. Dat was een voortzetting van de in 1877 ingestelde leerstoel adatrecht, die nu behalve in de Faculteit der Rechtsgeleerdheid ook in die der Sociale Wetenschappen werd ondergebracht. Hij combineerde adatrecht met antropologie, doceerde over locale rechtsopvattingen en rechtspluralisme, en publiceerde Issues in African Law (1974). Hij was er vooral geÔnteresseerd in wanneer het volksrecht in conflict komt met het overheidsrecht. In 1979 nam hij vervroegd ontslag om zijn vertaling van Van Vollenhoven on Adatlaw (1981) af te maken. Met zijn vertrek werd tevens zijn leerstoel opgeheven, waarmee in Leiden de bezuinigingen begonnen. De opheffing van deze leerstoel heeft niet alleen een schaduw geworpen over de laatste twintig jaar van zijn leven, maar ook de voortzetting van de rechtsantropologie, zowel in Leiden als elders in Nederland, ernstig bemoeilijkt.

Han F. Vermeulen (CA/SNWS)