counter free hit unique web
ACHTERGROND - Mare 26, 29 maart 2007

Imposante reeks Plaatsen van herinnering voltooid

Hoe reuzen stenen stapelden

FRANK PROVOOST
Niet mensen, maar reuzen bouwden de hunebedden, aldus dominee John Picard

De houtgravure De moord op graaf Floris V door E. Vermorcken (1820-1906), naar een origineel van J.W.F. Kachel (1826-1873) diende als voorbeeld voor de afbeelding van de moord in het Nederlandse paspoort
Was Floris V een verkrachter? En wie bouwden de hunebedden? Het laatste deel van de reeks Plaatsen van herinnering biedt een rondleiding door de Nederlanden vanaf prehistorie tot Beeldenstorm.

Het is een stoeptegel van het soort waar normaal ‘Hond in de goot’ op staat. In het polderfietspad tussen Muiderberg en het Naardermeer eigenlijk alleen te herkennen aan de roodroze kleur. De enkele nieuwsgierige die daar de moeite zou nemen om af te stappen, ziet een kruis en daaronder 1296.

Ziehier het Nederlands nationaal historisch besef gegoten in een vierkant stuk beton van 20 x 20 centimeter. Het tafereel werd wel vereeuwigd in schilderijen, schoolplaten en zelfs het Nederlandse paspoort, maar kennelijk niet in het landschap. Op 27 juni 1296 werd ‘der keerlen god’ Floris V vermoord door Gijsbrecht van Amstel, Herman van Woerden en Gerard van Velzen - ergens in de buurt van de tegel.

Ziehier ook het bestaansrecht van de serie Plaatsen van Herinnering, dat onlangs is voltooid. Onlangs verscheen het laatste van vier delen met daarin veertig zogeheten geheugenplaatsen. Net als Frankrijk, waar historicus Pierre Nora de term lieux de mémoire uitvond, heeft nu ook Nederland nu een historische routeplanner.

Nederland van prehistorie tot Beeldenstorm staat onder redactie van de Leidse geschiedenishoogleraar Wim Blockmans en Herman Pleij (historische Nederlandse literatuur, UvA). Hun rondleiding, schrijven ze in het voorwoord, leidt vooral langs ‘handel, scheepvaart, toepasselijke devotie en ander pragmatisch gedachtegoed, veel meer dan veldslagen, adellijk vertier, concilies en academische haarkloverij'.

In tegenstelling tot de drie eerder verschenen delen – van zeventiende tot twintigste eeuw – was het voor de bijdragende auteurs harder speuren naar tastbare bewijzen van de historische gebeurtenissen. Daardoor keert in de veertig hoofdstukken de disclaimer ‘zeker weten doen we het niet’ terug als een mantra.

De moord op Bonifatius, de vernietiging van Dorestad door de Noormannen, door de schaarste aan geschreven bronnen blijft voor de wetenschappers vaak gissen naar ware toedrachten en drijfveren. In die gevallen wordt er vooral ingezoomd op de verschillende functies die dergelijke locaties in latere tijden kregen toebedeeld. Om doorgaans - met uitzondering van de Floris-tegel - te eindigen als een trekpleister voor dagjesmensen.

Dat is zeker het geval bij de eerste twee haltes van de reis: D17 en D18, de oudste bouwwerken (ongeveer 3400-3200 voor Christus) op de Nederlandse bodem: de hunebedden van Rolde. Zodra daarnaast een kerk werd gebouwd ontstond een prachtig contrast. Zeker toen daar dominee John Picard tot de conclusie kwam dat niet mensen, maar reuzen bouwden die ‘Reusenstienen’ moesten hebben gebouwd.

Zo'n opeenvolging van interpretaties zien we ook bij de moord op Floris V. Want hoewel er altijd aangenomen dat Gerard van Velzen de laffe en brute moordenaar was, schrijft Leidse hoogleraar Wim van Anrooy, dook er in de Middeleeuwen opeens een motief op dat zijn daad kon verklaren. Floris zou zijn vrouw hebben verkracht, een lezing die kort daarna voorgoed naar de achtergrond verdween.

Maar mochten de rest van de bronnen wel kloppen, dan loog de straf van Gerard van Velsen er niet om. Hij zou door de Leidse bevolking zijn opgesloten in een met spijkers beslagen ton die door de straten werd gerold.


Wim Blockmans en Herman Pleij (red.): Plaatsen van herinnering, Nederland van prehistorie tot Beeldenstorm, Bert Bakker, 564 pgs. € 39,95