counter free hit unique web
WETENSCHAP - Mare 23, 8 maart 2007

De mores van dove kinderen

Dove kinderen drukken hun boosheid botter uit dan leeftijdsgenootjes met een goed gehoor
BART BRAUN
Dove kinderen hebben meer moeite met sociaal gedrag dan hun horende leeftijdsgenoten. Een Leidse psychologe deed er onderzoek naar, en pleit voor meer aandacht voor emoties in het dovenonderwijs. ‘Ze verwachten ruzie, en dat het daarna weer goed is.’

Stel: je beste vriendje komt op bezoek om computerspelletjes te spelen, en verbreekt je persoonlijk record. Wat zeg je dan? ‘Jij bent stom.’

Dove kinderen reageren weinig constructief in situaties die agressie oproepen. Psychologe Carolien Rieffe doet daar al jaren onderzoek naar. Door naar het opgroeien van kinderen met ernstige gehoorproblemen te kijken, hoopt ze meer te leren over hoe het opgroeien van gezonde kinderen werkt. Wat is de invloed van doofheid op socialisatie; het proces waarbij iemand zich leert aanpassen aan de normen van zijn omgeving?

Tussen dove en horende kinderen zit nogal een verschil in hoe ze met het hypothetische verbreken van het puntenrecord omgaan. Veel doven verwachten vervolgens ook een negatievere reactie op hun woorden. ‘Hij zal dan “Nou en?” zeggen’, schatten ze in. Over het verdere verloop van de relatie zijn ze dan weer optimistisch: ‘Als we elkaar later tegenkomen, zijn we weer vrienden.’

Zo’n rijtje antwoorden is inconsistent in onze ogen, maar volgens Rieffe (42) is het ‘een typisch dovenpatroon. Ze verwachten ruzie, en dat het daarna weer goed is.’

Wie haar recente publicatie in Cognition and Emotion leest, leert dat slechthorende kinderen het niet makkelijk hebben in het sociaal verkeer. Moeite met zich invoelen in anderen en het behouden van vriendschappen, minder begrip van sociale mores, ouders die amper met ze kunnen communiceren. De meeste ouders van dove kinderen zijn zelf niet doof, en begonnen pas laat met het leren van gebarentaal. Gemiddeld beheersen ze het op het niveau van een vierjarige.

Rieffe: ‘Dat maakt praten over abstracte concepten heel moeilijk. Een gesprek over de toekomst, emoties of verwachtingen is voor mij in het Frans ook bijna niet te doen.’ Vanwege hun doofheid hebben de kinderen op verschillende fronten een gebrekkige toegang tot de wereld zoals wij die kennen. Geschreven taal heeft geen één-op-één relatie met gebarentaal. Voor horende mensen kan een geschreven zin een letterlijke weergave zijn van een gesproken zin, maar voor dove mensen niet. Dat maakt bijvoorbeeld boeken en de ondertiteling van televisieprogramma’s moeilijker te begrijpen. ‘Zo doen ze dus ook minder kennis op van omgangsvormen en onderhandelingsmethoden die gelden in de horende wereld’, aldus Rieffe.

‘Iemand zonder consideratie vindt een doof kind misschien onaangepast. Maar je moet kijken hoe zo iemand in een horende wereld staat.’ De onderzoekster vergelijkt het met een vakantie in een land waar de toerist de taal amper van beheerst. ‘Je hebt een boodschap, en die wil je overbrengen. Alle omstandigheden, overwegingen enzovoort laat je weg. Je kunt eigenlijk alleen maar je eigen wensen aangeven. Dove mensen gelden in de literatuur dan ook vaak als drammers.’

‘Let wel, ik wil dove kinderen niet portretteren alsof ze alles alleen maar slecht doen’, licht ze toe. ‘Het is ook niet zo dat ze een paar jaar sociale achterstand hebben: hun aanpak is kwalitatief anders.’

Rieffe geeft een voorbeeld van de moeite die dove kinderen hebben met het inleven in anderen. Voor een experiment kregen dove kinderen een verhaaltje te horen met een blijde uitkomst. De kinderen werd gevraagd hoe de hoofdpersoon zich zou voelen. ‘Hij is nieuwsgierig’, stelde de hele klas.

De onderzoeker vond dat raar, en wendde zich tot de leraar. De hele klas had die ochtend het gebaar voor ‘nieuwsgierig’ geleerd, zo bleek. Maar wat het precies betekende, en hoe ze het moesten plaatsen, dat wisten ze niet. Rieffe: ‘Jìj hoefde nooit een speciale les te volgen om te weten wat nieuwsgierigheid is.’

Nog een verschil tussen dove en horende kinderen: bij alle hypothetische situaties in Rieffe’s vragenlijst was boos worden normaal. Iemand gooit cola over je heen, iemand komt niet opdagen bij een afspraak – boos worden mag. Dove kinderen drukken hun boosheid alleen botter uit dan hun leeftijdsgenootjes met een goed gehoor. Maar vaak zijn ze dan niet eens boos. Alleen verdrietig.

‘Boosheid betekent actie’, verduidelijkt Rieffe. ‘Je wilt iets ondernemen, om de situatie te veranderen. Verdriet is opgeven. Dan spreek je dus nooit je vriendje op aan, en als je dat niet leert, kun je later niet functioneren in de horende wereld.’

Dat is dan ook iets waar dove volwassenen moeite mee lijken te hebben. Rieffe: ‘Werk, opleiding, alles is moeilijker.’ Doven hebben vaker last van psychologische klachten als depressiviteit. In een vervolgonderzoek wil de psychologe gaan kijken hoe dove kinderen door de jaren heen leren zich te redden in een wereld vol geluid.

Onderwijs kan daar een grote rol in spelen, stellen zij en haar mede-auteur, de Amsterdamse hoogleraar Mark Meerum Terwogt, in het Cognition and Emotion-artikel. Daarin roepen ze op tot meer emotionele coaching in het dovenonderwijs. ‘Niet als apart vak, maar als onderdeel van alle lessen. Net zoals taal verweven is in al het onderwijs, niet alleen in de speciale taallessen.’