VOORPUBLICATIE - Mare 34, 22 juni 2006
De heilzame vrucht der opvoeding
eX
Thomas Blondeau: eX
‘En nu? Wat moeten we nu doen? Naar wie moeten we nu luisteren? Wie kunnen we nog geloven? Ik weet het niet meer en aan uw gezicht te zien u ook niet. Geschiedenis heeft misschien goede verhalen maar hier worden ze alleen maar door angst en jaloezie verteld. Zo zie ik het. En ik moet zeggen dat ik het niet snel zie veranderen.’
David Quispel staat op het scharnierpunt van een oersaaie jeugd en een onzekere toekomst. Hij hoopt maar op een ding, dat er iets gebeurt dat zijn leven de moeite waard maakt. Dat iets hem in het middelpunt van de belangstelling plaatst. Samen met wat gelijkgestemden bedot hij de tv en kranten. Als een vriendin van hem verdwijnt, buit uit hij de tragedie uit. De zichzelf opfokkende mediawereld in een land dat teert op stille marsen laat de zaak exploderen.
Dit is de korte inhoud van eX, de debuutroman van Mare-redacteur Thomas Blondeau die deze zomer bij uitgeverij De Bezige Bij verschijnt.
Waarom David geen probleem had met stelen
De psychische ziekte waar de jonge David het meeste respect voor had, was kleptomanie. Een eenduidige en zelfs nuttige ziekte waar hij de genoegens van leerde toen hij op een rustige zaterdagmiddag kleingeld achterhield van de klanten in het café van zijn pa. Tappen deed David alleen op vrije schooldagen maar hij moest iedere ochtend de wc-potten schoonmaken.
Een weinig dankbare taak, zeker als je het pisgedrag van het cliëntèle van De Vaderlander in achting neemt. Al die treuzelende, stotterende en ongeoriënteerde urinestralen van dronken, oudere mannen vormde na een nacht opdrogen een hardnekkige film op de tegels van de muur en de vloer. Omdat David weinig zakgeld kreeg, lag het eigenlijk in de lijn der dingen dat hij dit zou doen.
Sinds die middag had hij er nooit een probleem mee dingen mee te nemen die niet van hem waren, zijn vingers in portemonnees te steken of brieven te lezen die niet voor hem bestemd waren. Niet dat hij zakken rolde maar wanneer iemand zijn portefeuille liet liggen in het café vond hij het vanzelfsprekend de bankpassen in stukken te knippen en het geld bij zich te houden.
Rond die tijd, hij moet een jaar of veertien zijn geweest, speelde hij met het idee met dat geld naar het station te gaan dat een paar straten verder lag en daar de eerste trein te nemen, waar die ook heen ging, de eerste op het eerste perron. Te rijden tot zijn terminus en daar uit te stappen. Een trein om niet meer alleen te zijn.
Maar hij heeft het nooit gedaan. De eerste trein stopt gewoon weer op een ander even banaal station vol dito levens als waar hij opgestapt was. Een feit van vijf cent, met die wetenschap zul je niemand van zijn stoel doen vallen. Het echter ten volle beseffen, das klote.
ILLUSTRATIE: silas.nl
Ken uzelf
Steek een goudvis in een kom en zolang hij lucht en voedsel heeft, zal zijn belevingswereld niet veel anders zijn dan die van een goudvis in een meer. Plaats een olifant alleen op een omwald stukje veld en na verloop van tijd gaat hij met zijn hoofd zachtjes heen en weer slingeren. Zijn slurf trekt strepen in het zand. Die schudbewegingen maken endomorfine aan. Ze schudden zich langzaam naar een high om dat godvergeten stukje veld bestrooid met gigantische knikkers stront aan te kunnen.
Om een mens in diezelfde toestand te krijgen zijn er sterkere maatregelen nodig. Neem hem zijn besef van tijd en ruimte af, hul hem in duisternis en geef hem onzekerheid over zijn lot. Een naamloos leven in een niet al te grote gemeenschap bereikt aardig die omstandigheden. Omdat hoop het laatste is wat sterft, gaat de mens radeloos op zoek naar methodes om de gekte op een afstand te houden. Daarom gaan gijzelaars schaken, besteden ze dagelijks meer uren aan hun zelfgekauwde pionnen en lopers dan wat voor grootmeester dan ook. Of ze gaan opdrukken en doen buikspieroefeningen met een zelfdiscipline die ze in vrijheid nooit zouden kunnen opbrengen. Herlezen die slecht geschreven detective in een taal die ze amper machtig zijn totdat ze als korangeleerden het hele ding kunnen reciteren. Desnoods achterstevoren.
Davids rituelen tegen de waanzin die gestaag op zijn hoofd druppelde, waren de impromptu scenario’s waarin hij de hoofdrol speelde. Zag hij de getraliede ramen van een geldtransportwagen, dan vertraagde zijn stap. Haalde zijn zonnebril boven, deed alsof hij een mobiele telefoon naar zijn oor bracht en ging bedachtzaam een sigaret roken, hopend dat een beveiligingsbeambte hem opmerkte. Wat nooit gebeurde.
Als hij een gloeiende sigarettenpeuk in het rioolgat mikte, hoopte hij stiekem op een steekvlam of een ontploffing. Ging hij naar een winkel, dan keek hij recht de beveiligingscamera’s aan. En in zijn borst altijd die onuitgesproken hoop dat er iets zou gebeuren. Dat hij opgemerkt zou worden, per abuis gearresteerd, dit is schandalig, sorry meneer, een gerechtelijke dwaling, een gerechtelijke dwaling zegt u, dat was een jaar van mijn leven, als u maar weet dat ik het hier niet bij laat. Hij was de uitgelezen ramptoerist bij zijn eigen catastrofe.
Bleef zijn moeder langer weg dan verwacht dan beeldde hij in hoe een agent met een uitgestreken gezicht aan zou komen bellen om hem het gruwelijke nieuws te brengen. Een leraar die niet kwam opdagen was bezig met een decoupeerzaag kinderarmpjes af te zagen in zijn Tuinhuisje van de Dood. Maar in plaats van drama waren het uitgelopen vergaderingen en lichte griepjes.
Een andere favoriete bezigheid van David was het afnemen van interviews met zichzelf. Zoals andere pubers luchtgitaar spelen of voor hun slaapkamerspiegel in de afstandsbediening van hun stereotoren staan te rappen. Hij zag het rode opnamelampje van de camera, de gezichten van het publiek, hoe hij achteloos maar niet slordig zou gaan zitten in die vreemdsoortige zetels die ze altijd op tv hadden. De vragen voorbereid op zijn eigen cuekaartjes. Hoe hij ertoe gekomen was, hoe het nu met hem ging, wat zijn plannen nu waren. Maar de inhoud van zijn antwoorden kwamen nooit uit de warrigheid van zijn eigen dagdroom. Iets wat hem verschillend zou maken. Niet in de laatste plaats met zijn vader. Want zonen en vaders, daar zijn boeken over vol geschreven. Ik hoef u niet uit te leggen waarom, of je je vader nu kent of niet.
De Vaderlander
Zoals mensen als maagd kunnen sterven, kunnen ze leven zonder ook maar één keer onderdeel te zijn geweest van iets meeslepends. Daar hoef je geen medelijden mee te hebben. Kijk maar naar kloosterlingen die hun mond niet kunnen over het genot van de berusting. Michel Quispel, de vader van David behoorde tot het slag mensen dat niet mist wat het niet kent. Na een mislukte rechtenstudie was hij een paar jaar handelsreiziger geweest in schoonmaakmiddelen. Het stoorde hem om zo’n weinig mannelijk product te slijten maar hij hield ervan onderweg te zijn. Om zijn aangeboren verlegenheid te overwinnen, begon hij bier te drinken. Zijn beroep gaf het volop gelegenheid om vaak in cafés te zijn. Wanneer hij een goede voormiddag had gehad, begon hij na twaalven met drinken.
Later begon hij ongeacht zijn voormiddag na twaalven te drinken. Na het overlijden van zijn vader verkocht hij diens kruidenierswinkel en begon een café dat hij De Vaderlander doopte. Vernoemd naar de zandzakjes die in de Eerste Wereldoorlog de wanden van de loopgraven tegen instorting beschermden. Hij was zo trots op deze vondst dat hij jarenlang nieuwe klanten vermoeide met zijn uitleg over het café als een wal tegen de wereld.
‘David, hebt ge tegen uw vriend al gezegd waarom uw vader zijn café zo genoemd heeft?’
‘Ja, pa.’
‘Ik bedoel niet waar het vandaan komt maar wat het symboliseert?’
‘Ja, pa!’
Eigenlijk zag David zijn vader alleen ’s ochtends bij het tandenpoetsen een glas water drinken. Zijn dictum was ‘’s Ochtends koffie om de dag goed in de ogen te kijken en ’s middags een pint omdat het gezicht van de dag u niet aanstaat.’ Hij was een gestaag drinker die nooit tot dronkenschap verviel. Hij leefde zogezegd op een respectabele afstand van de realiteit. Die afstand hield de middelmatige kwaliteit van zijn café, huwelijk en zijn relatie op een constant niveau. Geen uitzicht op verbetering maar ook geen kans op verslechtering. Zijn alcoholisme en omgang met klanten had hem een welwillende onverschilligheid gegeven. Een manier van omgang die bestond uit glimlachen en het minimum aan inspanning om een conversatie gaande te houden. En een manier van omgaan die hij ook op zijn leven en gezin toepaste. Hij liet David die goede cijfers haalde zonder noemenswaardige inspanning daarvoor, meestal zijn gang gaan. Geheel volgens zijn weinig uitgedachte filosofie dat het leven een stroom is waar je wel kunt proberen iets aan te veranderen maar over het algemeen is dat een nutteloze activiteit want water stroom toch altijd naar het laagste punt.
De klanten die het café bezochten, leken daar stilzwijgend mee akkoord te gaan. Het waren overwegend oudere of werkloze mannen die hun langdradige middagen en avonden daar kwamen doorbrengen. Het café was niet geschikt voor slempen of brallen maar als al iemand van een stoel viel of begon te schreeuwen, zette Michel Quispel de muziek wat harder, streek over zijn gepommadeerde haar, glimlachte en belde een taxi die hij meestal nog zelf vergoedde ook. Er was maar één ding waar hij furieus over kon worden.
Hoe David de smaak van stront leerde kennen
Aan het jarenlang aanprijzen van schoonmaakmiddelen, had Michel Quispel twee gewoontes overgehouden. Een uitgebreid ochtendritueel en een tandenknarsende weigering om ook maar een spons vast te pakken. De uitgebreide scheer- en kleedsessies voor de badkamerspiegel dienden ooit om de eenzame ochtenden in hotelkamers te overbruggen. Hij zeepte zijn gezicht in met een kwast, had een tondeuse voor neushaar, verschillende epileertangen voor zijn wenkbrauwen, een moeilijk te verkrijgen pommademerk, een afzichtelijke zegelring en altijd een vouw in zijn broek. Het was voor hem dan ook een gruwel dat David zijn haar liet groeien toen hij op de middelbare school zat.
Omdat de geur van bleek hem deed denken aan al de keren dat de deur in zijn gezicht werd dichtgegooid, verplichtte hij David vanaf veertienjarige leeftijd voor schooltijd de wc’s schoon te maken. Daarvoor deed zijn vrouw het altijd wanneer ze terugkwam van haar nachtdienst in het ziekenhuis. Michel Quispel wou zijn vrouw hiermee niet op te zadelen na een nacht van bedpannen verwissen en paniekaanvallen sussen maar de herinnering aan de schamperende huisvrouwenlachjes wonnen het van zijn mededogen. Toen zijn vrouw in een zelfhulpboek gelezen had dat ze voor zichzelf op moest komen, werd David de lul.
Het was eigenlijk het enige wat hij van zijn zoon eiste maar David was op onbewust op zoek naar een manier om zich tegen zijn vader af te zetten. Al vanaf het opstaan begon hij zich zo op te fokken dat het aantrekken van de roze rubberen handschoenen hem al deed kokhalzen.
Wanneer hij met de wc-borstel over aangekoekte vlekken schrobde, kneep hij zijn ogen dicht. Als hij op zijn knieën zat, voelde hij het vocht van de vloer langzaam in zijn overallbroek trekken. Door de onderdrukte kotsreflexen begon hij te zweten maar door de handschoenen durfde hij niet zijn voorhoofd afvegen. Kortom, met het gebrek aan relativering dat kenmerkend is voor de puberteit, zag David zich al snel als een kindslaaf die dagelijks afdalen moest in een porseleinen mijnschacht om daar in een gekmakende geur van chloor karrenvrachten stront te verslepen.
Na een paar maanden begon hij de boel af te raffelen. Bleef ‘s ochtend steeds langer in bed liggen, haalde een dweil over de vloer, gooide wat reiniger in de pot en spoot een paar keer met de luchtverfrisser. Rond zijn zestiende lukte het hem om meer dan de helft van de ochtenden de hele boel gewoon over te slaan. Dat ging goed tot Michel Quispel besloot wc-borstelhouders van inox te installeren in de toiletten.
‘Wat is dit?’ Het café ging op maandag na vijven dicht en toen David na schooltijd door het café naar het woongedeelte van het huis liep, hield zijn vader hem staande en zwaaide op een paar centimeter van Davids neus met de nieuwe, witte wc-borstel. Er zaten een paar lichtbruine vlekken op de onderste haren.
‘Een tennisracket.’
‘Kluchtigaard. Hier!’ Hij wees op de haren.
David was weliswaar geschrokken van de roodaangelopen kop van zijn pa maar had uitgekeken naar een confrontatie met zijn anders haast subcomateuze vader. Die middag had Oscar Maegdt, een vaste klant een lacherige opmerking gemaakt over een kleverige vloer in de mannen-wc.
‘Michel, ge hebt wel rare manieren van uw klanten te laten plakken. De tegels onder het urinoir hingen bijna aan mijn zolen.’
Michel Quispel noemde Oscar altijd meester omdat hij advocaat was en daarmee een uitzondering onder zijn stamgasten. Hij vond de aanwezigheid van Oscar het café een bijzonder cachet geven. Dat Oscar door zijn frequent cafébezoek alleen zijn populariteit als gemeenteraadslid wou verhogen, was iets waar Michel verkoos niet over na te denken. Davids vader zei dat de schoonmaakster ziek was, verontschuldigde zich en voelde een oude schaamte opsteken.
Toen Oscar naar het volgende café op zijn ronde ging, schopte Michel Quispel hard tegen een krat dat onder de spoelbak stond. En trok de handschoenen aan om schoon te maken.
‘Dat is roest.’
‘Inox roest niet.’ Hij hield de borstel nu vlak voor Davids neus. Met een zwaaibeweging wou hij de borstel wegslaan. De vader was hem voor en duwde hem nu nog dichter bij de kop van zijn aartsluie zoon.
‘Ik weet niet wat het is.’ David sloeg de borstel weer weg. De vader zag het weer aankomen, David miste en de nylon haren streken even over zijn kin. David klemde zijn rechtervuist dicht.
‘Zeg wat het is, jongen. Zeg wat het is dat ge te lui zijt om af te krabben.’
‘Denkt ge dat ze de wc-borstel gaan gebruiken om het schuim van hun bier op te kloppen?’
‘Zeg, wat het is.’
‘Roest.’
‘Inox...’
Michel Quispel duwde de wc-borstel onder de neus van zijn zoon. Heel kort maar, draaide de borstel een kwartslag en David smaakte iets bitters. Zoals we allemaal weten heeft bier een laxerende werking. David liep de straat op. Die week begon hij voor het eerst wisselgeld achter te houden.
Thomas Blondeau: eX, De Bezige Bij, € 18,90, verschijnt eind augustus