counter free hit unique web
REPORTAGE - Mare 25, 23 maart 2006

Vingerafdrukken van Frans Kellendonk

CHRISTIAAN WEIJTS
Kellendonk (midden) op de dag van zijn promotie, vlak voor hij in de UB komt te werken.

‘Krijtkamp’ spreekt

‘Ik heb over het bestaan van het boekje van de heer Linmans gehoord, maar ik ken het niet. Mijn echtgenote vertelde mij laatst dat mijn naam nog door de heer L. in een avondblad werd genoemd. Ik heb dit stuk niet gelezen. Ook eerdere boeken en geschriften van de heer L. zijn door mij trouwens ongelezen gelaten.

Ik herken mij niet in de figuur Krijtkamp die Kellendonk in zijn roman heeft opgevoerd. Kellendonks boek is namelijk echte literatuur en niet een invuloefening met schuilnamen. Wat Kellendonk in zijn boek beschrijft is zeker echt gebeurd. Het spookte destijds in het magazijn van de UB. Het spookt er trouwens nog steeds. Maar ook daar schrijft Kellendonk niet echt over. Hij heeft een prachtig literair kunstwerk neergezet, en ik doe niet mee aan deze meest simplistische deconstructie van dit kunstwerk, waarover de heer L. meer dan twintig jaar heeft gedaan om het bij elkaar te bedenken.

De heer Kellendonk heeft mij destijds per interne post van de UB enige suggesties gedaan voor lectuur. Zo moest ik o.a. van hem eens Buffons volledige werken lezen wat ik sindsdien met veel plezier gedaan heb. Ik ben hem daar nog steeds dankbaar voor. Ik ben inderdaad niet naar zijn afscheidsreceptie geweest, zoals hij over zijn figuur Krijtkamp schrijft. Andere briefwisseling tussen de heer Kellendonk en mij heeft ook plaats gevonden, en die bezit ik nog steeds. Ik toon deze niet aan anderen, omdat er in ons land nog zo iets als briefgeheim bestaat. Dat laatste is en was niet bekend bij de heer L en zijn toenmalige chef die toen al de gewoonte hadden om ook brieven waarop zij niet als geadresseerde stonden aangeduid vrolijk open te maken. Omdat Kellendonk een goed schrijver is, heeft hij dit soort kleine ellende uit zijn boek weggelaten.

Ik herinner mij Kellendonk als een vriendelijke, enigszins schuwe, collega, met wie ik nooit een woord heb gewisseld. Hij moet zich in de ambtelijke organisatie van de UB diep ongelukkig gevoeld hebben. Gelukkig voor hem heeft hij dat tijdig ingezien, anders spookte hij nu zelf ook in het magazijn, samen met de heer L. Na verschijning van zijn Letter en Geest heb ik ook met grote bewondering zijn eerdere werk gelezen. Het is een verlies voor de literatuur dat hij zo jong uit ons midden is weggerukt. Dat hij nu door een oud-collega van hem als vloermatje  wordt gebruikt om zelf onder de publieke aandacht te komen kan men gerust tragisch noemen. Maar ja, de doden hebben nu eenmaal altijd ongelijk.’


Jan Just Witkam

hoogleraar handschriftenkunde van de islamitische wereld


Schrijver Frans Kellendonk werkte in 1979 drie maanden in de Leidse universiteitsbibliotheek. Daarna zagen collega’s zichzelf terug in de roman Letter en Geest. Eén van hen, adjunct-bibliothecaris Janus Linmans (‘Van Uffel’), heeft nu teruggeschreven. ‘Ik heb nooit in een scheidsrechtersboekje gefloten.’

‘Frans Kellendonk kreeg in januari 1979 een aanstelling van een jaar, als vakreferent Engels, met uitzicht op vaste dienst. Als hij had willen blijven en het redelijk had gedaan, dan had hij kunnen blijven.’

Janus Linmans (60), scheidend adjunct-bibliothecaris van de universiteitsbibliotheek, herinnert het zich nog goed. ‘Hij zegde echter per 1 mei al op, en vertrok in april. Ik weet in elk geval nog dat het in de Goede Week was. De tiende april die hij in Letter en Geest noemt als de dag van zijn vertrek klopt denk ik wel.’

Letter en Geest: de kleine roman (‘een spookverhaal’, volgens de ondertitel) verscheen drie jaar later en speelt zich onmiskenbaar af in de Leidse universiteitsbibliotheek. De oude UB aan het Rapenburg wel te verstaan (‘een doolhof van zijvleugels en uitbouwen’). Hoofdpersoon is Felix Mandaat, die er tijdelijk een baantje heeft, als vakreferent Engels.

‘Binnen de directie hield ik mij met de vakreferenten bezig’, vertelt Linmans, in zijn werkkamer, die tegenwoordig uitkijkt over de Witte Singel. ‘Ik heb hem de eerste dag rondgeleid.’ De toen 33-jarige Linmans kon niet weten dat de zes jaar jongere, zwijgzame en verlegen werknemer de ontmoeting als volgt zou gaan vereeuwigen:


God had net een passer gekregen toen hij Van Uffel schiep. Alles is rond aan hem […]. Zijn donkergrijze, tikje groene ogen blijven star en in een boogje over Mandaat heenkijken, maar als je iets onverwachts zou zeggen, (‘Doe toch gewoon, Van Uffel!’) dan zou zijn blik even hulpeloos rondspartelen in de jouwe als een vlieg in een glas limonade.[…] ‘Genoeg gekletst, meneer Mandaat,’ – hij komt uit zijn stoel en klapt opgeruimd in zijn handen – ‘het is de hoogste tijd voor de rondleiding door ons gebouw.’


‘De rondleiding die hij beschrijft is heel herkenbaar voor mij, al geeft hij daar wel een draai aan,’ zegt Linmans, van wie tot nu toe voornamelijk de oogkleur herinnert aan het literaire portret. De rest is grotendeels fictie: Van Uffel die Mandaat achtervolgt in de bibliotheek (‘Ik zou je zo graag eens meenemen naar kamertje zes, Felix. Er staat een bed met daarop alleen een laken en twee kussens’) of Van Uffel die over zichzelf zegt: ‘Ik ben zo iemand die met zijn oude kont in een voetbalbroekje en een scheidsrechtersfluitje om zijn nek door bossen en parken sluipt.’

Linmans, lachend: ‘Ik heb hem nooit in het magazijn achtervolgd, en ik heb nooit in een scheidsrechtersboekje in de bosjes gefloten. Wat hij daar beschrijft gaat wel erg op fantasie terug.’ Wél waarheidsgetrouw is de niet-afgemaakte priesteropleiding die personage en model delen. Linmans: ‘Ik vermoed dat mijn seminarieachtergrond hem op een idee heeft gebracht. Geloofszaken interesseerden hem erg. Door dat te projecten op die Van Uffel heeft hij die thematiek dat boekje in kunnen brengen.’

Kellendonk (1951-1990) beschrijft met verve en venijn de wat zompige bibliotheekwerkvloer waarin – met toespelingen op Dante en bijbelse elementen – een metafysische dimensie sluipt.

Zo kreeg een Indisch meisje dat er werkte trekken van Dantes grote liefde Beatrice mee. ‘Zij heeft nog lang hier rondgelopen. Ze is in 1995 overleden aan dezelfde ziekte als Kellendonk, aids. Vroeg in de jaren tachtig heeft ze een bloedtransfusie ondergaan met besmet bloed.’ Linmans laat een foto zien. ‘Daar zit ze, vooraan. Deze is uit 1977. Gek dat ze hier ook uit zo’n groep gelicht is, en daar zo vooraan staat.’

‘Hij was wel een naam. Zijn debuut, Bouwval, uit 1977, had geweldig veel aandacht gekregen. In de kortste keren verschenen er heel veel drukken. Er zijn wel eens mensen in de bibliotheek die gezegd hebben: hoe komen ze erbij zo iemand binnen te halen? Je weet dat het geen blijvertje is.’

Kellendonk had in de bibliotheek een bescheiden baantje, voor een paar dagen in de week, zodat hij genoeg tijd overhield om te schrijven. Op zijn werk gedroeg hij zich afstandelijk. ‘Hij legde niet gemakkelijk contact. Hij was verlegen en maakte in veel opzichten een geremde indruk. Het was wel zo dat de manier waarop hij in de bibliotheek stond, sterk observerend was. In de koffiekamer zat hij de zaak te bekijken. Mensen hadden wel het gevoel dat ze misschien eens in een boek terug zouden keren.’


Hij ziet Tiny beneden over de voorplaats lopen, met zijn ronde buikje, dikke achterwerk, zijn aardappelhoofd, zijn broek met bretels die tot vlak onder de borst is opgesjord en zulke korte pijpen heeft dat boven zijn geblokte kousen ringetjes bleke zwartbehaarde huid zichtbaar zijn. Hij heeft op zijn veertigste de lichaamsbouw van een achtjarig kind.


Tiny is de man die in Letter en Geest de post rondbrengt. Linmans: ‘Hij komt er wel erg herkenbaar in voor. Dat vonden veel mensen bij het uitkomen van het boek wel onbehoorlijk. Het was niet erg liefdevol. Verder was het ook een spelletje: wie is wie?’

Conservator Krijtkamp bijvoorbeeld, die hem brieven ter vertaling in het Engels stuurt, die Mandaat ongelezen terugstuurt, wat ontaardt in een felle ruzie per interne post. ‘Gezien’, is het enige dat Mandaat steeds terugstuurt. Die interne-post-ruzie met de conservator, die in werkelijkheid Witkam (zie kader voor zijn reactie) heet, heeft inderdaad plaatsgehad, weet Linmans. De aanleiding verschilt lichtelijk. ‘Het was de gewoonte dat de vakreferent Engels de Engelse brieven nakeek. Daar had hij helemaal geen zin in. Naderhand is mij duidelijk geworden dat hij met Witkam in conflict raakte. Kellendonk maakte daar dan correcties bij, waar Witkam het niet mee eens was.’


‘Gezien?’ schrijft Krijtkamp. ‘U hebt mij nog nooit gezien. Terwijl ik u meteen heb herkend. […] Ik word naar van uw haar. Uw oren kunnen mij niet bekoren. Uw neus is affreus. Uw mond is een kont. Van uw kaken moet ik braken. Al met al denk ik van uw bakkes: ajakkes. Tot een mening over mijn gezicht bent u niet bevoegd. Gegroet, Krijtkamp.


‘Wie er wel en niet in zitten, en in hoeverre, was minder interessant dan te zien hoe hij als schrijver te werk ging’, zegt Linmans, ‘hoe hij elementen uit de werkelijkheid gebruikte en vingerafdrukken naliet, zoals zo’n datering. Daar kun je iets uit afleiden. De manier waarop hij dat verwerkte en er heel nieuwe lagen in aanbracht, met Dante en de bijbelse dimensie, dat vind ik wel heel bijzonder.’

Een boekje over de achtergronden bij Letter en Geest en een interpretatie van het verhaal, heeft hij altijd al willen schrijven. ‘Het leek mij zinnig dat iemand die hem nog had meegemaakt dat deed, en ik was een van de weinigen die dat nog kon. Ik heb begin dit jaar afscheid genomen van de bibliotheek. Ik dacht: zou het niet een aardig idee zijn om dit als afscheidscadeau mee te geven?’


Janus Linmans: Legato con amore in un volume. Uitgeverij Kopwit, 39 pgs., € 10,-