HOOFDARTIKEL - Mare 24, 16 maart 2006
Homostudent heeft drempelvrees
KOENJA VAN DIJK
Een paaldanser in gay café De Roze Beurs. Er komen ook studenten, maar 'op de universiteit heb je een grotere kans om iemand tegen te komen die op dezelfde golflengte zit'
Foto:TACO VAN DER EB
Leiden mist een homocultuur, zeggen studerende homo’s en lesbiënnes. Dankzij de zogeheten gaydar weten ze elkaar toch te vinden. ‘Als ik naar gala’s ging, nam ik mijn vriend mee.’
De tweede verdieping van De Industrieele Groote Club, een klassieke sociëteit aan de Amsterdamse Dam, stroomt langzaam vol met mannen in nette jasjes. De heren, die variëren van studerend tot gepensioneerd, geven bij binnenkomst elkaar drie zoenen op de wang en zeggen: ‘Long time no see’. Er wordt meer rode en witte wijn dan bier gedronken.
‘Zelf zijn we wel iets losser hoor’, zegt Kas Vrelier. ‘Maar de eigenaar van het pand schrijft nette kleding voor.’ Hij is naar eigen zeggen ‘het promotiemeisje van de Donderdagavond Eetclub’. Iedere eerste donderdagavond van de maand borrelt dit gezelschap van oude en jonge homoseksuelen in Amsterdam. Uit het hele land komen leden en introducés, onder wie ook Leidse (oud-)studenten.
De Donderdagavond Eet Club (DEC) werd in 1979 opgericht door jonkheer Floris Michiels van Kessenich, bijgenaamd ‘de Roze Jonker’, die in Leiden studeerde en lid was van het corps. Hij streed voor de acceptatie van homo’s binnen corps, kerk en samenleving. Met een aantal homoseksuele medestudenten besloot hij eens per week te gaan eten in een Amsterdams restaurant.
Studenten en oud-studenten tijdens een borrel van de Donderdag Avond Eetclub in Amsterdam: 'Normaal zijn we losser'
Ook Frelier studeerde in Leiden. Maar toen hij lid was van studentenvereniging Augustinus zocht hij zoals veel jonge homostudenten naar een ‘niet al te banale’ plek om andere studenten te ontmoeten. Die vond hij bij de DEC, waarvan hij nu commissaris nieuwe leden is. Op hun website noemt de DEC zich ‘informeel netwerk van “heeren” die naast vele gemeenschappelijke interesses op sociaal, maatschappelijk en professioneel gebied ook gemeen hebben dat ze homoseksueel zijn’. Belangstellende moeten wel ‘lid zijn (geweest) van een traditionele studentenvereniging of daar sterke affiniteit mee hebben’.
De stichting telt inmiddels meer dan driehonderd leden uit het hele land, waardoor het volgens de leden ‘een soort homodispuut over de steden heen’ wordt. Het is een plaats om ‘gelijkgestemden’ te ontmoeten, niet zoals het reguliere homo-uitgaanscircuit, waar je komt om te dansen en te scoren.
Dat laatste ontbreekt in Leiden. ‘Op vrijdag en zaterdag is het hier smoordruk’, zegt barman Detlev van gay café De Roze Beurs. ‘Er zijn hier dan ook altijd wel studenten.’
‘Maar toch heb je hier niet echt een homocultuur’, zegt Simone van Eik (24), derdejaars talen en culturen van Indiaans Amerika. ‘Je spreekt wel studenten tijdens het uitgaan’, zegt wiskundestudent Allard Veldman, ‘maar echt één centrale plek in Leiden waar homostudenten elkaar informeel kunnen ontmoeten, zou leuk zijn.’
Ook de verenigingen voorzien niet in die behoefte. Het percentage openlijk homoseksuelen is er laag en wordt door de verenigingen zelf geschat op ongeveer drie procent. ‘Het is snel bekend wie er op een verenging homo is’, weet Allard Veldman, die voorzitter is van de culturele studentenvereniging Prometheus.
Veel studenten vinden het volgens bestuurskundestudent Jeffrey Jonkers (26) nog steeds moeilijk om op de uit de kast te komen. ‘Het is vooral drempelvrees’, zegt Jonkers, zelf oud-voorzitter van Augustinus. Toch wordt er ‘doorgaans open mee omgegaan’, zegt Jonkers. ‘Er is altijd wel een plek waar je jezelf kan zijn.’
Frelier beaamt dat. Hij was lid van Augustinus, voordat hij in 2003 bij geneeskunde afstudeerde. ‘Al in de eerste maand kreeg ik een relatie met een jongen uit mijn cordial. En als ik naar gala’s ging, nam ik mijn vriend mee. Daar werd nooit vervelend op gereageerd.’
Dat die openheid niet in alle gevallen vanzelfsprekend is, ondervond toenmalig psychologiestudente Tialda Hoekstra (26). Ze was actief binnen een christelijke studentenvereniging. Door opmerkingen die ze er van andere leden hoorde, durfde ze niet uit de kast te komen.
Ze sloot zich aan bij PinQ, de roze gespreksgroep van de Leidse Studenten Ekklesia. ‘Ik wilde geloof en identiteit matchen. Ik hoorde van deze groep en zag dat het hier wel samen ging’, legt de pas afgestudeerde Hoekstra uit. De Ekklesia bood een plek om vragen op dit terrein ter sprake te brengen.
Zo’n zes maal per jaar komt de groep samen om ervaringen uit te wisselen. ‘Het COC gaat alleen over lesbisch zijn’, zegt theologiestudente Veerle (27), ‘dat vond ik toen eng.’
Gaydar laat alarmbellen rinkelen
Simone van Eik (links) en Dymfke van Lanen ontmoetten elkaar in de collegezaal
De theologiestudente: ‘Het fijne aan deze groep was dat het over geloof ging en een klein beetje over homoseksualiteit. Als Paulus het over liefde heeft, dan vind ik dat ook van toepassing op mij, ook al heeft hij dat misschien zelf niet zo voor ogen gehad.’
Volgens studentenpastor en gespreksleider Karin van den Broeke is het uit de kast komen een groeiproces. ‘Je moet de referentiekaders waarmee je bent opgegroeid, leren loslaten.’
Los van spaarzame initiatieven als DEC en PinQ lijkt uiteindelijk de universiteit zelf nog de beste ‘homo-ontmoetingsplaats’. Simone van Eik, studente talen en culturen van Indiaans Amerika: ‘Daar heb je een grotere kans om iemand tegen te komen die op dezelfde golflengte zit dan daarbuiten.’ In de collegezaal ontmoette ze haar vriendin Dymfke van Lanen (23).
Van Lanen: ‘Ik volgde college met de toenmalige vriendin van Simone. Zij stelde ons aan elkaar voor.’ Inmiddels zijn ze alweer drie jaar bij elkaar en wonen sinds kort samen in Amsterdam. ‘Van flink wat homo- en lesbostelletjes weet ik dat ze elkaar op de universiteit hebben leren kennen.’
‘Op sommige Canadese en Australische universiteiten’, vervolgt ze, ‘zijn er niet alleen studiegerelateerde verenigingen, maar ook verenigingen voor bijvoorbeeld Grieken en homo’s. Met ieder een eigen ruimte. Heel gezellig.’ Van Eik lachend: ‘De queerroom.’
Maar als zulke vereniging in Leiden ontbreken, hoe herken je dan de homo’s onder andere studenten? Psychologiestudente Suzanne (25) gebruikt daarvoor de zogenoemde gaydar, een gevoeligheid om lesbo’s en homo’s te signaleren. ‘Ik kan het merken aan iemands houding, de manier van kijken en de manier van praten. Dan gaan er alarmbellen rinkelen. Meestal klopt het wel.’ Suzanne kreeg op die manier al eens een relatie met een medestudent.
En internet dan? Veel homoseksuele studenten vinden het leuker om spontaan iemand tegen te komen, zo blijkt. Veldman: ‘Ik ben niet zo van dat elektronische gedoe.’
‘Als je zelf nog worstelt met je coming out, is het belangrijk dat je ziet dat je niet de enige bent die “zo” is’, meent Frank Elshof, voorzitter van De Donderdagavond Eet Club. Dat rolmodellen belangrijk zijn, ervoer ook Jonkers. Als preses van Augustinus en openlijk homoseksueel was hij drie jaar geleden zelf een positief voorbeeld voor jongere leden: ‘Ook jongerejaars uit andere verenigingen die met hun eigen coming out bezig waren kwamen met vragen bij mij.’ Elshof: ‘Als je zeker van jezelf bent, heb je veel minder kans op vervelende reacties.’
Hoewel hun geaardheid volgens de uit de kast gekomen studenten geen probleem vormt, wil toch niet iedereen met achternaam in de krant. ‘Ik schaam me nergens voor’, verklaart Suzanne. ‘Maar het is niet het eerste wat mensen over mij hoeven te weten. Ik ben meer dan alleen maar lesbisch.’
Volgens Elshof zouden homo’s die een goede positie hebben verworven daarom zo open en eerlijk mogelijk moeten zijn over hun geaardheid. Zichtbaarheid en de aanwezigheid van positieve rolmodellen kan jongeren helpen om uit de kast te komen. ‘Op die manier ga je zien dat homoseksualiteit geen probleem is, maar gewoon een eigenschap naast al je andere eigenschappen.’
Toch benadrukken Elshof en Jonkers dat juist de studententijd heel geschikt is om uit de kast te komen en andere homo’s en lesbo’s te leren kennen: ‘Als student heb je meer vrijheid om jezelf te ontdekken en ervan te genieten dan wanneer je vastzit aan de verplichtingen van je professionele carrière.’
Want zeker in het afgestudeerde leven worden de verschillen tussen hetero en homo duidelijk. Dan wordt homo-zijn een andere manier van leven, zegt fiscalist en oud-Minervaan Thomas (‘geen achternaam’) tijdens de borrel van DEC. ‘Op een gegeven moment trouwen je heterovrienden. Hun leven draait dan om het gezin. Hoe ouder je wordt, hoe meer de wegen uit elkaar gaan lopen.’
Koenja van Dijk