counter free hit unique web
INTERVIEW - Mare 04, 22 september 2005

Studie naar de beeldvorming van Middeleeuwse scherprechters

Een beul vloekt in ondergoed

DAVID BREMMER
Ondanks zijn status als officiële wetsdienaar was de beul niet geliefd bij zijn mede-Middeleeuwers. Volgens promovenda Hannele Klemettilä zagen zij hem als een wellustige, domme, immorele en lelijke wreedaard.

Wie zich een beul voorstelt, ziet onvermijdelijk een schavot opdoemen met daarop een grote kerel die zijn bijl op de nek van een weerloze gevangene laat landen. En toch, hoewel beulen altijd tot de verbeelding hebben gesproken, blijkt er nooit een grondig wetenschappelijk onderzoek naar de Middeleeuwse scherprechters te zijn gedaan. Hoe keken de Middeleeuwers eigenlijk tegen hun beulen aan?

Niet best, zo concludeert de uit Finland afkomstige promovenda Hannele Klemettilä na bestudering van duizenden illustraties en andere bronnen. Niet alleen moet de beul uitermate impopulair zijn geweest, daar boven op zagen zijn tijdgenoten hem ook nog eens als dom en immoreel. Maar tegelijkertijd waren zij ook bijzonder door hem gefascineerd en was de beul de ster van het Middeleeuwse theater.

In haar proefschrift Epitomes of Evil, Representations of executioners in Northern France and the Low Countries in the late Middle Ages trekt Klemettilä die conclusie op basis van een aantal interessante observaties. Zo werd de beul vaak afgebeeld met allerlei fysieke gebreken zoals een lelijke huid en een weerzinwekkend voorkomen, waarbij de verhoudingen van het gelaat niet klopten. De neus was dan bijvoorbeeld hoekig en de kaak te lang of het gezicht was buitenproportioneel breed en de neus ook.

De lichamelijke afwijkingen wijzen volgens haar op een immoreel, slecht karakter en een gebrekkig verstand. In de Middeleeuwse wereld werden lichaam en ziel namelijk als onafscheidelijke eenheid gezien: het lichaam vormde daarbij de expressie van het innerlijke. Kortom, een lelijk voorkomen weerspiegelde iemands onderliggende slechte karakter.

Daarnaast stond de beul ook nogal eens afgebeeld met een donkere gebruinde huid, wat door de Middeleeuwer allerminst als positief werd gezien: dat herinnerde immers aan het harde werken op het land en de gebondenheid aan de aarde. Hetzelfde gold voor een gegroefde gerimpelde huid die wees op zonde, een slechte moraal en buitensporig drinkgedrag. Kreeg de mens in het paradijs van God immers geen perfect lichaam dat niet oud werd?

Maar er zijn meer aanwijzingen die laten zien waarom de beul niet geliefd was bij zijn tijdgenoten: zijn kleding bijvoorbeeld. Waardeerde de conservatieve middeleeuwse samenleving monochrome kleding als de mode voor eerzame burgers en heiligen, de beul draagt op vele illustraties juist een gestreepte gekleurde outfit. Dat dergelijke kledij niet populair was, blijkt uit vele geschriften zoals het bekende Canterbury Tales waarin de veertiende-eeuwse auteur Geoffrey Chaucer een priester een broek met twee kleuren belachelijk laat maken.

Tegelijk werd in Frankrijk en in andere delen van Europa het dragen van dergelijke kleding door voorschriften aan banden gelegd. Door de rangen en standen maatschappij gold het gezegde ‘kleding maakt de man’ nog meer dan nu. Iedereen werd geacht de regel ‘de juiste kleding voor de juiste man’ op te volgen. De gestreepte kleding van de beul onderstreepte daarbij zijn marginale status in de maatschappij.

Zijn lage status werd nog eens verder onderstreept door hem met ontblote armen of benen of soms zelfs in zijn ondergoed af te schilderen, wederom ter illustratie van zijn immorele karakter. Een van de belangrijkste functies van kleding was immers het verbergen van het zondige menselijke lichaam en van het geslacht van de persoon. Niet voor niets werden slechte personen en demonen daarom vaak (deels) naakt afgebeeld.

Naast zijn lelijke fysiek en de gestreepte kleding getuigde ook het taalgebruik van de beul van zijn weinig fraaie karakter. In religieus drama figureerde hij als een veelvuldig vloekend persoon, die platte grappen maakte en vaak schreeuwde. Daarnaast kenmerkte zijn karakter zich in dergelijke voorstellingen door een grote goklust en drankzucht.

Al die slechte afbeeldingen tezamen bewijzen volgens de promovenda dat de beul verre van populair was. Ze maakt korte metten met de opvattingen van sommige onderzoekers die uit illustraties met marteltaferelen juist concluderen dat de Middeleeuwers geweld en pijn verheerlijkten. Dergelijke illustraties doen dat niet, maar dienden om misdadigers en zondaren te stigmatiseren. Net zoals iconografie moest laten zien dat martelaren uit liefde voor God pijn hadden overwonnen.

Klemettilä benadrukt dat de Middeleeuwse mens niet zozeer bang voor de dood was – die was immers overal – maar wel voor een pijnlijke dood.

De interessante vraag is dan natuurlijk waaraan de beul zijn impopulariteit dankte. Hij was immers wel een officiële instantie, in dienst van het gerecht. Eén van de antwoorden daarop is dat het beroep van scherprechter als weinig eervol werd gezien. De (soms ook vrouwelijke) slachtoffers van de beul waren weerloos. Ze konden geen verzet bieden. Daardoor stond hij in veel lager aanzien dan ‘nobele’ wetsdienaren als ridders en soldaten die een eerlijk gevecht aangingen.

Al met al diende de beul als een antimodel, een personificatie het kwaad. Zo was hij voor schrijvers en schilders een geschikt middel – samen met andere groepen als ketters, demonen en joden - om gedachten te vormen en te beïnvloeden over allerlei actuele maatschappelijke onderwerpen.


Hannele Klemettilä: Epitomes of Evil – Representations of executioners in Northern France and the Low Countries in the late Middle Age. promotie was 21 september