MARE DI LIBRI - Mare 31, 26 mei 2005
Het helse leven van Europese slaven in Marokko
Wit goud
Henk den Heijer
Giles Milton: White Gold. The Extraordinary Story of Thomas Pellow and North Africa’s One Million European Slaves. Hodder & Stoughton. London 2004. ISBN: 0340794690. 316 pgs. 22,95
Slavernij en slavenhandel zijn gevoelige onderwerpen. Dat bleek wel tijdens de VN-conferentie over racisme en discriminatie die in 2001 in het Zuid-Afrikaanse Durban werd gehouden. Het debat dat daar over het slavernijverleden werd gevoerd, mondde uit in een verbale veldslag waarin verschillende deelnemers elkaar met schuldbekentenissen en herstelbetalingen om de oren sloegen. Ook in Nederland roept deze kwestie veel emoties op, bijvoorbeeld bij de nazaten van Surinaamse slaven tijdens de onthulling van het slavernijmonument in Amsterdam. Hoewel emotie en wetenschap elkaar moeilijk verdragen, wordt er juist vanwege het emotionele aspect internationaal al decennialang historisch onderzoek verricht naar de aard en de omvang van de transatlantische slavenhandel en de slavernij in de Amerikaanse koloniën. Dankzij dat onderzoek hebben wij een redelijk beeld van wat zich destijds op de slavenschepen en op de plantages heeft afgespeeld.
Veel minder bekend is dat er van het begin van de zeventiende tot aan het begin van de negentiende eeuw veel Europeanen in handen van Barbarijse kapers zijn gevallen, die in de Noord-Afrikaanse steden Tripoli, Tunis, Algiers en de Marokkaanse havenplaats Salé als christenslaven werden verkocht. De Britse journalist en schrijver Giles Milton probeert onze kennis op dat terrein met zijn boek getiteld White Gold bij te spijkeren.
De auteur behandelt niet de gehele Barbarijse kaapvaart, maar beperkt zich tot de kapers van Salé, die afstamden van uit Spanje verdreven Moriscos. Aan het begin van de zeventiende eeuw waagden deze kapers zich tot ver in Europese wateren en voerden aanvallen uit op kustdorpen in Spanje, Portugal, Normandië en Zuid-Engeland, waar zij honderden inwoners ontvoerden en als slaaf in Noord-Afrika verkochten. Ook schepen waren doelwit van hun acties. Zo zouden zij tussen 1609 en 1616 maar liefst 466 Engelse schepen hebben genomen. Onder de kapers bevonden zich diverse Europese renegaten. Een van hen, de van oorsprong Nederlandse Jan Janszoon, voerde onder de naam Murat Reis zelfs plundertochten uit tot in IJsland.
De geschiedenis van de christenslaven wordt in White Gold opgehangen aan de belevenissen van Thomas Pellow, die na 23 jaar slavernij in Marokko in Engeland terugkeerde en daar in 1740 zijn belevenissen publiceerde onder de titel The History of the Long Captivity and Adventures of Thomas Pellow. In 1715 was hij als elfjarige jongen met het schip Francis vanuit de Zuid-Engelse havenplaats Falmouth vertrokken voor een reis naar Genua. Aan boord bevond zich een lading gedroogde en gezouten vis. Op de terugreis werd zijn schip in de Golf van Biskaje door Barbarijse kapers genomen en naar Salé gevoerd. Daar begon voor de bemanningsleden van de Francis en enkele andere Engelse schepen die waren genomen, een hels verblijf in de kerkers van het kapersnest. Na enige tijd werden zij naar Meknes overgebracht, waar zij tezamen met duizenden andere slaven aan het paleis van sultan Moulay Ismaïl moesten werken.
De sultan - door Milton als een wrede en vooral onvoorspelbare tiran geportretteerd, die er niet voor terugdeinsde eigenhandig slaven en bedienden te onthoofden als zij in zijn ogen wanprestaties leverden – had het in zijn hoofd gezet om het Versailles van Lodewijk XIV in omvang en pracht te evenaren. Veel christenslaven bezweken onder het zware werk in de brandende zon, maar Pellow lukte het om na een gedwongen bekering tot de islam een redelijk goed bestaan als officier in het leger van de sultan op te bouwen. Hij trouwde met een Marokkaanse en werd vader. Na de dood van zijn vrouw en kind ontvluchtte hij de barakken van Meknes, en keerde na veel omzwervingen uiteindelijk terug in de Zuid-Engelse plaats die hij als elfjarige jongen voor het laatst had gezien.
White Gold leest als een spannende roman die tot de laatste bladzijde blijft boeien. Dat Giles Milton pakkend over historische onderwerpen kan schrijven, heeft hij eerder bewezen. Zo publiceerde hij in 1999 het internationaal geprezen boek Nathaniel’s Nutmeg, waarin de strijd om de Banda-eilanden tussen de East India Company en de Verenigde Oost-Indische Compagnie als een thriller wordt gepresenteerd. Milton doet voor zijn boeken uitgebreid onderzoek in bibliotheken en beperkt in archieven. Zijn stijl is meeslepend en zijn bronnen lijken betrouwbaar, maar toch rijst er twijfel na lezing van zijn boek.
In de Nederlandse geschiedschrijving is de Noord-Afrikaanse christenslavernij een nog weinig onderzocht en daardoor vrijwel onbekend thema. Recent verscheen van de hand van de Leidse Marokkokenner Herman Obdeijn en de schrijver Abdelkader Benali het boek Marokko door Nederlandse ogen 1605-2005 (Amsterdam 2005), waarin het onderwerp christenslaven in grote lijnen wordt geschetst. Daarnaast zijn er in het verleden enkele boeken en artikelen aan het onderwerp gewijd. Bijvoorbeeld over de West-Friese zeeman Jan Cornelisz. Dekker die 28 jaar als slaaf in Barbarije had doorgebracht. Bekend ook is het verhaal van Maria ter Meetelen, de avontuurlijk ingestelde Amsterdamse die in 1748 haar Wonderbaarlijke en merkwaardige gevallen van een twaalf jarige slaverny in Marokko publiceerde.
Uit de schaarse Nederlandse literatuur komt een ander beeld naar voren dan door Milton in White Gold is geschetst. Zo zou de kapervloot van Salé aan het begin van de achttiende eeuw - de periode waarin de jonge Thomas Pellow als slaaf in deze stad verbleef – maximaal tien schepen hebben geteld, terwijl Milton schrijft over een enorme vloot van meer dan vijftig schepen. Geschat wordt dat in het totaal hooguit zevenduizend opvarenden van Nederlandse schepen als christenslaaf in Noord-Afrika terecht zijn gekomen. Daarnaast zullen zeker nog vele duizenden andere Europese zeelieden als slaaf in Noord-Afrika zijn verkocht, maar het aantal van ‘one million European slaves’ dat op de omslag van Miltons boek prijkt, lijkt toch een grove overschatting van de werkelijkheid. En als wij de berichten in de Europische Mercurius - een achttiende-eeuws tijdschrift dat tweemaal per jaar in de Republiek verscheen - mogen geloven, dan viel het wel mee met de Barbaarse wreedheden tegen christenslaven waarmee Milton zijn verhaal heeft gelardeerd. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat de Noord-Afrikanen geheel anders tegen Engelse dan tegen Nederlandse zeelieden optraden.
Ook de vergelijking met de door Europeanen bedreven transatlantische slavenhandel die Milton enkele malen trekt is, om het eufemistisch uit te drukken, niet geheel gepast. Afrikaanse slaven die in Amerika op plantages moesten werken, hadden geen mogelijkheid om, zoals Thomas Pellow, tot legerofficier op te klimmen. Bovendien hadden christenslaven de kans om vrijgekocht te worden, hetgeen voor Afrikanen in de Nieuwe Wereld vrijwel onmogelijk was. White Gold is een spannend verhaal over een interessant onderwerp, maar ook een verhaal waarbij de nodige kanttekeningen geplaatst kunnen worden.
Henk den Heijer is universitair docent bij de opleiding Geschiedenis, Universiteit Leiden