counter free hit unique web
ACHTERGROND - Mare 23, 10 maart 2005

Verzetsheld d’Aulnis de Bourouill opent tentoonstelling over WO II

‘Ik heb verdomd veel geluk gehad’

Bart Funnekotter

Toen na de rede van Cleveringa de Leidse universiteit gesloten werd, besloot student Pierre Louis baron d’Aulnis de Bourouill naar Engeland te ontsnappen om er tot spion opgeleid te worden. Hij werd uiteindelijk de langst dienende agent in bezet Nederland.

Bijna zestig jaar nadat hij in Leiden aankwam, reist mr. Pierre Louis baron d’Aulnis de Bourouill (Delft, 1918) nog steeds naar zijn alma mater om er zijn kennis bij te spijkeren. Hij is cursist bij het Hoger Onderwijs voor Ouderen en kijkt dinsdagmiddag aan een tafeltje in café Barrera zijn schrift met aantekeningen door. ‘Ik volg een vak over het moderne China: zeer interessant en de docent kan heel goed vertellen.’

Vandaag, donderdag 10 maart, is d’Aulnis de Bourouill weer in Leiden om in de Oude UB een tentoonstelling te openen over de Leidse universiteit in oorlogstijd.

Een briljant student was hij tijdens zijn eerste academische carrière, van 1938 tot 1948, bepaald niet, haast hij zich te zeggen. ‘Ik heb maar met de hakken over de sloot mijn bul gehaald, met dank aan mijn repetitoren. Schaamteloos!’ Hierbij moet wel aangetekend worden dat hij voor een deel van zijn studievertraging een meer dan goed excuus had: van mei 1940 tot mei 1945 was hij actief in het verzet tegen de Duitsers.

Vanaf het begin van de oorlog bevond hij zich midden in de strijd. ‘In 1938 was ik in Leiden aangekomen. Ik ben baron en als je dan verder niks kunt, denken mensen al gauw dat je een playboy bent, dus ik had besloten om rechten te gaan studeren. Uiteraard werd ik ook lid van het corps. Mijn dienstplicht had ik echter vervuld bij de luchtdoelartillerie en toen de spanning in Europa steeg, werden wij als eerste gemobiliseerd, in maart 1939 al. Toen de Duitsers ons land binnenvielen op 10 mei 1940, bevond mijn batterij zich in de buurt van Den Haag, waar constant luchtaanvallen werden uitgevoerd.’

Samen met de rest van de bemanning haalde vaandrig d’Aulnis de Bourouill tien vijandelijke toestellen neer. Het waren echter niet alleen bommen die er uit de lucht vielen, de Duitsers hadden ook parachutisten gedropt in de buurt van de regeringszetel, mede om te trachten het kabinet en de koningin gevangen te nemen. D’Aulnis de Bourouill ging op onderzoek uit en stond in de tuin van restaurant De Kieviet in Wassenaar opeens oog in oog met een groep para’s. ‘Dat was voor beiden een hele schok. Herr Hauptmann, ein Militär!, schreeuwde er eentje en hij begon op me te schieten met een mitrailleur. Toen ben ik maar gauw achter een muurtje weggedoken.’

Na de capitulatie keerde hij terug naar Leiden om zijn studie te hervatten. Hij was erbij toen op 26 november 1940 Cleveringa in het Academiegebouw zijn beroemde rede tegen het ontslag van zijn joodse leermeester Meijers hield. ‘Sinds die dag kan ik het zesde couplet van het Wilhelmus niet meer aanhoren zonder tranen in mijn ogen te krijgen. Die nacht nog heb ik geholpen met het vermenigvuldigen van de speech van Cleveringa, zodat die in Leiden en andere universiteitssteden kon worden verspreid.’

‘Ik ben bang voor geweld’

D’Aulnis de Bourouill had daarvoor ook al wat in het verzet gedaan, maar de manier waarop de Nederlandse illegaliteit in die dagen opereerde zinde hem niet. ‘Er werden enorme risico’s genomen voor zaken die de Duitsers nauwelijks last bezorgden. Dat leverde alleen maar gefusilleerde mensen op en weinig resultaat. Ik besloot naar Engeland te ontsnappen en daar naar de spionnenschool te gaan. Dan kon ik terugkomen naar Nederland en uitleggen hoe het wél moest.’

Vluchten naar Engeland was uiteraard makkelijker gezegd dan gedaan en het kostte d’Aulnis de Bourouill en een reisgenoot maanden voordat ze via België, Frankrijk, en een Spaans interneringskamp in Gibraltar aankwamen, vanwaar ze naar Engeland werden verscheept. ‘In Londen ben ik meteen naar Erik Hazelhoff Roelfzema (de Soldaat van Oranje, BF) gegaan, die ik nog kende van Minerva. Hij zou kijken wat hij voor me kon doen, maar het zag er naar uit dat ik voorlopig de spionnenschool niet op kon. Toen heb ik als 2e luitenant eerst bij de Prinses Irene Brigade gediend. Uiteindelijk was het prins Bernhard die er voor gezorgd heeft dat ik die opleiding mocht volgen.’

Na flink wat hobbels te hebben genomen hij brak zijn been bij parachutetraining en een eerdere dropping mislukte omdat het vliegtuig waarin hij zat tegen een dijk aanvloog sprong hij in oktober 1943 boven een stuk hei in de buurt van Staphorst. Zijn eerste opdracht was om met behulp van een twee Delftse studenten een aantal weerstations op te zetten en de daar verzamelde informatie door te geven aan de Geallieerden, zodat de gegevens gebruikt kon worden bij het plannen van het luchtoffensief tegen het Derde Rijk. Al snel breidden zijn werkzaamheden zich uit en ontwikkelde d’Aulnis de Bourouill zich tot de spin in een enorm inlichtingenweb. Zo verzamelde en verzond hij ook informatie over alle Duitse legereenheden die zich in Nederland bevonden of er doorheen reisden.

Na de invasie in Normandië van 6 juni 1944 begonnen de bezetters op grote schaal Nederlandse agenten op te pakken. D’Aulnis de Bourouill - die tot dan toe onder meer het beruchte Engelandspiel ontlopen had, waarbij de Duitsers spionnen arresteerden en vervolgens valse informatie aan Londen voedden werd te verstaan gegeven dat het tijd was om terug te keren naar Engeland. ‘Ik kende zo veel mensen, dat mijn arrestatie een groot deel van het verzet in gevaar zou brengen.’

Maar de ontsnappingslijn was inmiddels dermate beschadigd dat hij niet verder kwam dan Brussel. ‘Ik moest noodgedwongen terug naar Nederland en ben daar de rest van de oorlog aan het werk gebleven. Uiteindelijk ben ik 23 maanden actief geweest in bezet gebied, het langste van alle Nederlandse agenten. Degene die het dichtst bij me in de buurt kwam, was hier elf maanden. Wat ik het mooiste vond om na de oorlog te ontdekken, was dat de Duitsers geen enkel idee hebben gehad van mijn bestaan. Van veel verzetsmensen die ze niet te pakken kregen, wisten ze meestal wel een naam of pseudoniem. In mijn geval niet eens het laatste. Ik heb verdomd veel geluk gehad.’

Na de oorlog volgde zijn meestertitel en ‘een aangenaam leven in de internationale handel’. Voor zijn inspanningen in de strijd ontving hij uit handen van Prins Bernhard de Militaire Willemsorde en van de Engelsen de Distinguished Service Order. Enkele jaren geleden schreef hij voor familie zijn belevenissen op. Over de motieven om het inlichtingenwerk in te gaan, was hij ontwapenend eerlijk. ‘Ik dacht dat ik tijdens de meidagen per ongeluk een Nederlandse militair had doodgeschoten. Na de oorlog bleek dat hij slechts gewond was, maar ik heb constant gehandeld met het idee dat ik zo iets goed maakte voor die vergissing.

Verder heb ik de titel van baron van de Nederlandse kroon gekregen en ik vond het mijn plicht die kroon naar beste kunnen te dienen.’ En over zijn reden om niet het gewapend verzet in te gaan: ‘Ik ben bang voor vechten en geweld. Wat mij bij het werk ook gebeurde, ik zou niet omkomen door een bombardement, een artilleriebeschieting of een vlammenwerper.’

Universiteit in oorlogstijd: de Leidse universiteit tijdens de Tweede Wereldoorlog (Samenstelling: Buck Goudriaan)
De Oude UB, Rapenburg 70
tot 10 mei