counter free hit unique web
FRUTTI DI MARE - Mare 12, 25 november 2004

Met Esperanto backpacken naar Tsjoevassië

Martin Dijkhuijsen is Esperantist. Toen de student Russisch vijf jaar geleden via een vriendin kennis maakte met de kunsttaal, raakte hij verslaafd. Inmiddels spreekt hij de taal vloeiend en bijna dagelijks, woonde hij internationale Esperanto-congressen bij, bezoekt hij Esperantisten overal ter wereld en geeft hij Esperanto-workshops op scholen. ‘Als je op een goedkope manier op vakantie wil, is het heel interessant.’

Esperanto werd eind negentiende uit de duim gezogen door de Poolse jood Lejzer Ludwig Zamenhof. Het plan was dat de taal de internationale spraakverwarring zou oplossen. De kunsttaal had grote voordelen: ze was extreem regelmatig, dus makkelijk te leren, uitbreidbaar als Lego en bovendien niet verbonden aan één bepaald land. De bloeitijd was het interbellum; in Nederland waren er toen duizenden sprekers. Daarna liep het aantal sprekers terug. De Teleac-cursus Esperanto in de jaren zeventig verzorgd door Van Kooten en de Bie kon dat niet stoppen. De vereniging Esperanto Nederland telt momenteel 300 leden en de Esperanto Jongeren vijftig.

Martin, die uit een socialistisch milieu komt, staat achter het oorspronkelijke ideaal, het oplossen van het internationale taalprobleem. ‘Esperanto als wereldtaal invoeren zou eerlijker zijn. Nu is het zo dat Amerika en Engeland er voordeel van hebben dat Engels de wereldtaal is. Ten eerste omdat het die landen geld bespaart, ze hoeven tenslotte geen vreemde talen te leren op school, ten tweede omdat ze in internationale discussies altijd sterker staan: het is hun moedertaal. Ik probeer zoveel mogelijk jongeren enthousiast te maken. Hoe meer mensen het spreken, hoe makkelijker het is in te voeren.’

Toch was ‘avontuur’ en niet idealisme de hoofdreden dat hij Esperanto leerde. Want dat is een leuk extraatje: wie Esperanto spreekt, mag overal ter wereld gratis logeren bij andere Esperantisten. Reisgids is het Esperanto adresboekje. Martin logeerde al in Polen, Frankrijk en Rusland. Toen hij de taal net kende, trok hij de stoute schoenen aan. Met het adresboekje in zijn backpack ging hij op pad. ‘Ik ben in Den Haag op de bus naar Warschau gestapt, waar ik had afgesproken met Esperantisten die ik verder totaal niet kende.

Mijn volgende stop was Moskou. Ook daar logeerde ik bij een Esperantist. Je komt echt bij de mensen thuis. Van straatarme mensen in Moskou die alleen aardappels met een beetje peterselie aten, tot die vrouw in Parijs, die op een heuvel woonde waar ik heb zitten barbecuen met uitzicht op de Eiffeltoren.’ Martin bezocht ook Cheboksary, een Esperanto-bolwerk in de Russische deelrepubliek Tsjoevassië. ‘Daar heb je in één stad alleen al tweehonderd Esperanto jongeren meer dan Nederland en België samen.’ Omgekeerd komen er ook Esperantisten bij Martin logeren, binnenkort bijvoorbeeld een Braziliaanse geneeskundestudent.

Esperantisten delen iets speciaals, een ‘geheimtaal’ die door iedereen binnen een dag te leren is. ‘Je hebt het gevoel dat je familie bent. Alsof je in het oerwoud iemand tegenkomt die Nederlands spreekt.’

Er kleeft één nadeel aan het Esperanto-ideaal. Mocht de grote dag aanbreken en heel de wereld Esperanto spreken, dan is het afgelopen met het speciale familiegevoel, beseft Martin. ‘Het zou het einde zijn van de aparte Esperanto cultuur. Je gaat nu ook niet naar Engeland om daar ergens aan te kloppen: ik spreek ook Engels, mag ik bij je logeren?’

Arjen van Veelen